ECLI:NL:RBLIM:2018:12433
Rechtbank Limburg
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorzieningen partneralimentatie bij echtscheiding met winst uit onderneming
Partijen zijn sinds 1990 gehuwd en verzoeken om voorlopige voorzieningen in het kader van hun echtscheidingsprocedure. De vrouw, sinds 2011 arbeidsongeschikt en zonder inkomen, vraagt een partnerbijdrage van €3.790,20 per maand. De man betwist de behoefte en stelt een lagere bijdrage van €826,- voor, met argumenten over draagkracht en vermeende verdiencapaciteit van de vrouw.
De rechtbank stelt de behoefte van de vrouw vast op basis van de gemiddelde winst uit onderneming over 2016, 2017 en 2018, gecorrigeerd voor bedrijfskosten en huurinkomsten, wat leidt tot een netto gezinsinkomen van €6.720,- per maand. De vrouw heeft behoefte aan 60% hiervan, zijnde €4.032,- netto.
De draagkracht van de man wordt vastgesteld aan de hand van de actuele situatie, rekening houdend met gezondheidsklachten, een winst uit onderneming van €89.440,-, zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling en netto huurinkomsten. Kosten voor de meerderjarige inwonende zoon worden meegewogen, met aftrek van zorgtoeslag en woonlasten. Na verrekening van lasten en heffingskortingen resteert een draagkracht van €3.552,- bruto per maand.
De rechtbank bepaalt daarom de voorlopige partneralimentatie op €3.552,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevraagde wordt afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: De man moet aan de vrouw een voorlopige partneralimentatie van €3.552,- bruto per maand betalen.