Eiser ontving bijstand op grond van de Participatiewet en had vanaf april 2011 recht op een ouderdomspensioen van de Sociale Verzekeringsbank Curaçao. Verweerder herzag de bijstand over de periode april 2011 tot februari 2016 en vorderde € 22.998,00 bruto terug wegens te veel betaalde bijstand. Tevens werd een boete van € 662,46 opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
Eiser voerde aan dat hij het pensioen pas in maart 2016 aan verweerder had gemeld en dat sprake was van verjaring. Ook stelde hij dat hij alles had gedaan om zijn pensioen te verkrijgen en dat de SVB het pensioen onrechtmatig had stopgezet. Verder stelde eiser dat verweerder zijn bankafschriften ten onrechte niet had betrokken en dat er sprake was van strijd met het motiverings- en evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet tijdig te melden dat hij recht had op pensioen. Het feit dat hij geen pensioeninkomsten ontving was te wijten aan zijn nalaten om attestaties te overleggen aan de SVB. De rechtmatigheid van het staken van het pensioen door de SVB viel buiten de reikwijdte van de zaak. Eiser had onvoldoende onderbouwd dat hij zich voldoende had ingespannen om zijn pensioen te verkrijgen.
De rechtbank verwierp ook het beroep op verjaring en de stelling dat verweerder zijn bankafschriften had moeten betrekken. De opgelegde boete was terecht vanwege verminderde verwijtbaarheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.