Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Het procesverloop
2.Standpunt verzoeker
3.Standpunt rechter
4.De beoordeling
zodrade feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
5.De beslissing
niet-ontvankelijk.
Rechtbank Limburg
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. E.P.J. Rutten, rechter in de rechtbank Limburg, naar aanleiding van opmerkingen en procesbeslissingen tijdens een zitting op 25 januari 2018. Verzoeker vond de rechter intimiderend en vooringenomen, en stelde dat de rechter ten onrechte te late verweerschriften had geaccepteerd.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek tot wraking niet tijdig was ingediend, aangezien het ruim twee tot drie weken na de zitting werd ingediend, terwijl de wet vereist dat een wrakingsverzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn. Verzoekers argument dat hij het verzoek pas na ontvangst van het proces-verbaal wilde indienen, werd niet geaccepteerd.
Daarnaast stelde de wrakingskamer vast dat verzoeker geen feiten of omstandigheden had gesteld die objectieve partijdigheid of de schijn daarvan bij de rechter aannemelijk maakten. Daarom werd het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk verklaard.
De wrakingskamer bestond uit voorzitter M.B.T.G. Steeghs en leden J.W. Rijksen en M.J.A.G. van Baal, en de beslissing werd op 2 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het ontbreken van objectieve gronden voor wraking.