ECLI:NL:RBLIM:2018:12479

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 mei 2018
Publicatiedatum
22 mei 2019
Zaaknummer
C.03 / 247198 / HARK 18-48
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. D.J.E. Hamers-Aerts, rechter bij de Rechtbank Limburg, omdat zij weigerde vijf door verzoeker aangedragen getuigen op te roepen. Verzoeker meende hierdoor dat de rechter partijdig was.

De rechter gaf aan dat haar weigering niet duidt op partijdigheid, omdat verzoeker niet had aangegeven welke nieuwe feiten of omstandigheden de getuigen konden verklaren en de vragen vooral betrekking hadden op de werkwijze van de gemeente, niet op de herzieningszaak zelf.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van het subjectieve en objectieve criterium voor rechterlijke partijdigheid. Omdat het wrakingsverzoek was gebaseerd op een procesbeslissing en de motivering daarvan geen aanwijzingen gaf voor vooringenomenheid, concludeerde de kamer dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren voor partijdigheid.

Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en afgewezen. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: 03/247198/HA RK 18-48
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken van 25 mei 2018
in de zaak van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats verzoeker] aan de [adres verzoeker] ,
hierna genoemd: verzoeker,
indiener van een verzoek strekkende tot wraking van mr. D.J.E. Hamers-Aerts,
rechter in deze rechtbank, hierna: de rechter.

1.Procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het navolgende:
  • het door verzoeker op 2 maart 2018 ingediende wrakingsverzoek;
  • de door verzoeker op 6, 9, 12 en 20 maart 2018 ingediende aanvullende stukken;
  • de schriftelijke reactie van de rechter;
  • het door verzoeker op 27 maart 2018, voorafgaand aan de geplande mondelinge behandeling, ingediende verzoek strekkende tot wraking van de wrakingskamer;
  • de afwijzende beslissing van de wrakingskamer van 12 april 2018;
  • de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek van 16 mei 2018
  • het door verzoeker op 16 mei 2018, voorafgaand aan de geplande mondelinge behandeling, ingediende (herhaalde) verzoek strekkende tot wraking van de wrakingskamer;
  • de afwijzende beslissing daarop van de wrakingskamer van 16 mei 2018;
  • de mondelinge behandeling van het verzoek.
1.2.
Ten slotte is de zaak op uitspraak gesteld.

2.De grond van het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker legt aan het wrakingsverzoek ten grondslag de weigering door de rechter om vijf door verzoeker aangedragen getuigen op te roepen. Deze weigering leidt voor verzoeker tot de aanname dat de rechter partijdig is.

3.Het standpunt van de rechter

3.1.
De rechter stelt in haar schriftelijke reactie van 6 maart 2018 dat haar weigering om de door verzoeker aangedragen getuigen op te roepen geen blijk geeft van partijdigheid. Verzoeker heeft in zijn verzoeken om bepaalde personen als getuigen te horen niet aangegeven over welke nieuwe feiten en omstandigheden in relatie tot de herzieningszaak van verzoeker deze getuigen zouden kunnen verklaren. Bovendien zien de door verzoeker in zijn verzoek opgesomde vragen voor de getuigen op de werkwijze van de gemeente en niet op de onderhavige zaak. De rechter heeft voorts aangegeven dat zij niet in de wraking berust.

4.De beoordeling

4.1.
De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
4.2.
De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.
4.3.
De wrakingskamer stelt vast dat de door verzoeker aangevoerde grond ziet op een door de rechter genomen procesbeslissing. Een procesbeslissing vormt in beginsel geen grond voor wraking, ook niet als die beslissing de verzoeker onwelgevallig is. Dat kan anders zijn indien geen andere verklaring te geven is dan dat die beslissing door vooringenomenheid is ingegeven en een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4.4.
Met inachtneming van de door de rechter in haar reactie gegeven motivering van haar procesbeslissing is de wrakingskamer van oordeel dat er geen sprake is van feiten of omstandigheden die een aanwijzing opleveren voor het aannemen van vooringenomenheid van de rechter, laat staan een zwaarwegende aanwijzing.
4.5.
Het verzoek is dan ook ongegrond en wordt daarom afgewezen.

5.De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking van mr. D.J.E. Hamers-Aerts af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.B.T.G. Steeghs, voorzitter, mr. J.W. Rijksen en
mr. M.J.M. Goessen leden, en bijgestaan door P.J.C. Hendriks als griffier en uitgesproken op
25 mei 2018.
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.