De rechtbank Limburg behandelde op 20 februari 2018 de vordering van het openbaar ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde achterwege te laten. De veroordeelde was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en 6 maanden en zou na het uitzitten van tweederde van zijn straf in vrijheid worden gesteld. De officier van justitie baseerde haar vordering op artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht vanwege een ernstig geweldsincident in de gevangenis.
Het incident betrof een agressieve aanval van de veroordeelde samen met een medegedetineerde op medewerkers van de PI, waarbij ernstig lichamelijk letsel werd toegebracht, waaronder een hersenschudding en mogelijk een gebroken neus. De veroordeelde kreeg hiervoor een strafcel van 14 dagen opgelegd. Tijdens de zitting erkende hij een aandeel in het incident.
De verdediging voerde aan dat de enkele melding van het incident onvoldoende was voor het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling, maar dit werd door de rechtbank verworpen. Gezien eerdere ernstige geweldsincidenten en het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 700 dagen, oordeelde de rechtbank dat de voorwaardelijke invrijheidstelling terecht achterwege blijft.
De rechtbank besloot de vordering van het openbaar ministerie toe te wijzen en de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de resterende 242 dagen niet toe te staan.