ECLI:NL:RBLIM:2018:3288
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak medeplegen gewoontewitwassen wegens ontbreken wetenschap of vermoeden
De rechtbank Limburg behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2013. Zij zou geldbedragen en een personenauto van haar stiefvader hebben ontvangen waarvan de criminele herkomst werd vermoed. De officier van justitie stelde dat verdachte wetenschap of een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen had, mede gebaseerd op gesprekken en het criminele verleden van haar stiefvader.
De verdediging voerde aan dat verdachte niet beter wist dan dat haar ouders over eigen ondernemingen, onroerend goed en contant geld beschikten en dat de giften binnen de normale gezinsverhoudingen vielen. Ook stelde zij dat een kind geen diepgaande onderzoeksplicht heeft ten opzichte van de financiële situatie van ouders. De rechtbank oordeelde dat de verdachte geen wetenschap of gerechtvaardigd vermoeden hoefde te hebben onder de gegeven omstandigheden en dat de giften pasten binnen de gebruikelijke gezinspraktijken.
Het door de officier van justitie aangehaalde gesprek uit september 2013, na de periode van de giften, bood geen overtuigend bewijs dat verdachte reeds tijdens de periode van de schenkingen op de hoogte was van criminele activiteiten. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het ten laste gelegde gewoontewitwassen.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van medeplegen gewoontewitwassen wegens ontbreken van wetenschap of gerechtvaardigd vermoeden.