ECLI:NL:RBLIM:2018:4212

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 april 2018
Publicatiedatum
2 mei 2018
Zaaknummer
C/03/247415 / HA RK 18-56
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 513 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens ontbreken zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid rechter

Tijdens een strafzitting op 9 maart 2018 verzocht de advocaat van de verdachte tot wraking van de rechter vanwege een opmerking die de rechter maakte over de geloofwaardigheid van de verdachte. De rechter had de verklaring van de verdachte samengevat en vervolgens gezegd dat hij het een 'flauwekul verhaal' vond, wat leidde tot vrees voor vooringenomenheid.

De wrakingskamer behandelde het verzoek op 29 maart 2018 waarbij ook het openbaar ministerie haar zienswijze gaf. De rechter verklaarde dat hij de verdachte slechts feedback gaf over de geloofwaardigheid van diens verklaring, wat volgens hem niet neerkomt op vooringenomenheid maar juist ruimte biedt voor het bijstellen van het verhaal.

De wrakingskamer oordeelde dat hoewel de woordkeuze van de rechter minder gelukkig was, dit geen zwaarwegende aanwijzing vormt voor partijdigheid. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen, waarmee het belang van een eerlijk proces werd gediend.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek van de verdachte is afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid van de rechter.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/247415 / HA RK 18-56
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken
op het verzoek van
[verzoeker],
wonend [adres] , te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.M.J.H. Coumans te Amsterdam-Duivendrecht,
hierna: de verzoeker
strekkende tot wraking van mr. F.M. van Maanen Winters, rechter in deze rechtbank,
hierna: de rechter.

1.De procedure

Tijdens de behandeling ter terechtzitting van de strafzaak met parketnummer 03-099594-17 op 9 maart 2018 heeft de advocaat van verzoeker de wraking verzocht van de rechter. Dit verzoek tot wraking is neergelegd in een proces-verbaal van de terechtzitting.
De rechter heeft de wrakingskamer eveneens op 9 maart 2018 meegedeeld dat hij niet in het verzoek tot wraking berust en dat hij tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek gehoord wenst te worden om een reactie te geven.
De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van de wrakingskamer op 29 maart 2018. Verschenen zijn mr. S. de Crom namens verzoeker en zijn advocaat, de rechter en mr. H. Peters namens het openbaar ministerie.
Mr. de Crom heeft namens verzoeker het wrakingsverzoek nader toegelicht, waarna door de rechter zijn standpunt is verwoord. Voorts is door mr. Peters de zienswijze van het openbaar ministerie verwoord, waarbij is geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2.Standpunt van de verzoeker

Namens verzoeker wordt gesteld dat de rechter ter terechtzitting na het voorhouden van de stukken startte met het ondervragen van hem. Nadat hij een deel van zijn verklaring had afgelegd werd deze verklaring door de rechter samengevat en hield hij de verdachte voor: “Dit is wat u bedoelt?” Verzoeker beantwoordde deze vraag bevestigend waarna de rechter zei: “Dit vind ik een flauwekul verhaal.”
Deze opmerking heeft bij verzoeker tot de vrees geleid dat hij niet werd geloofd en nog tijdens het onderzoek naar de feiten al door de rechter is veroordeeld.

3.Het standpunt van de rechter

De rechter heeft verklaard dat hij het dossier aan verzoeker – die zich voorafgaand aan de behandeling van zijn zaak ter zitting enkel op zijn zwijgrecht had beroepen – heeft voorgehouden en daarna in voor verzoeker begrijpelijke termen aan hem heeft duidelijk gemaakt dat hij diens verklaring niet zo geloofwaardig vond in het licht van de overige verklaringen die zich in het dossier bevonden. Alhoewel wellicht niet direct diplomatiek, heeft dat verder niets met vooringenomenheid te maken, maar biedt een verdachte juist de kans om zijn verhaal nog bij te stellen op een moment in de procedure dat daar nog ruimte voor is. Als het onderzoek op de terechtzitting eenmaal is gesloten, is het daarvoor immers te laat. Het is niet fair om een verdachte in de waan te laten dat zijn verhaal bij de rechter ingang vindt als die grote reden ziet voor twijfel, aldus de rechter.
De rechter stelt voorts dat de raadsman als door een wesp gestoken reageerde op de opmerking dat het verhaal niet geloofwaardig was en verzoeker heeft ook niet met zijn raadsman overlegd voordat die het wrakingsverzoek deed.

4.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat deze gewraakte opmerking van de rechter ter zitting niet zonder meer als een teken van vooringenomenheid kan worden beschouwd. In het licht van een goede en eerlijke procesvoering is er juist veel voor te zeggen dat een rechter aan een verdachte feedback geeft indien hij diens verklaring niet aannemelijk acht. Hij heeft dan ook geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge artikel 512 en Pro artikel 513, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient een verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan verzoeker bekend zijn geworden. Het tweede lid van artikel 513 Sv Pro bepaalt dat het verzoek tot wraking schriftelijk en gemotiveerd moet worden gedaan. Tevens is in dat lid bepaald dat na de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting het verzoek tot wraking ook mondeling kan geschieden.
5.2.
Indien om wraking wordt verzocht ter terechtzitting, zoals in het onderhavige geval is gebeurd, worden de gronden waarop het wrakingsverzoek berust vastgelegd in een proces verbaal van wraking.
5.3.
De wrakingskamer dient te beoordelen of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
5.4.
De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.
5.5.
De wrakingskamer stelt op grond van de toelichtingen ter zitting van mr. de Crom, de rechter en de officier van justitie vast dat de rechter bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting de stukken uit het dossier aan verzoeker heeft voorgehouden en deze vervolgens heeft ondervraagd. Daarbij viel op dat verzoeker, die tot aan dat moment nog niets over de gebeurtenissen had verklaard, ook niet bij de politie, tegenover de rechter op alle vragen antwoord gaf, maar dat zijn verklaring niet te rijmen viel met de overige verklaringen in het dossier.
De rechter heeft daarop de verklaring van verzoeker samengevat en gevraagd: “Dit is wat u bedoelt te zeggen?” Verzoeker beantwoordde die vraag bevestigend waarna de rechter de woorden sprak: “Dit vind ik een flauwekul verhaal.”
Toen de advocaat vervolgens vroeg of hij dit goed had gehoord heeft de rechter bevestigend geantwoord, waarna hij door de advocaat werd gewraakt.
5.6.
De wrakingskamer oordeelt dat, hoewel deze woordkeuze van de rechter wellicht minder gelukkig genoemd kan worden, hij daarmee wel aan verzoeker duidelijk heeft gemaakt dat de rechter zijn verhaal in het licht van het dossier niet aannemelijk achtte. Hierin ligt geen zwaarwegende aanwijzing besloten dat de rechter jegens verzoeker vooringenomen zou zijn en op zijn oordeel is vooruitgelopen. Door verzoeker te waarschuwen voor de ongeloofwaardigheid van zijn verhaal, heeft de rechter hem nog voordat het onderzoek ter terechtzitting werd gesloten de kans gegeven zijn verklaring bij te stellen en daarmee het belang van een eerlijk proces gediend. Er bestond dan ook geen objectief gerechtvaardigde aanleiding te vrezen voor vooringenomenheid van de rechter. Uit niets is ook gebleken dat verzoeker daar op dat moment bang voor was.
5.7.
Het verzoek tot wraking is naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook ongegrond en zal daarom worden afgewezen.

6.De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking van mr. F.M. van Maanen Winters af.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.J. Otto, voorzitter, mr. W.E. Elzinga en
mr. R.M.M. Kleijkers en is in aanwezigheid van de griffier mr. M.J.W.D. Janssen in het openbaar uitgesproken op 13 april 2018. [1]

Voetnoten

1.type: