De zaak betreft een verzetprocedure tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een beroep dat was ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit na een eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 september 2017. In die uitspraak was aan de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat opgedragen binnen een redelijke termijn opnieuw te beslissen op het bezwaar van de opposante.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2017 niet-ontvankelijk verklaard omdat op het moment van het instellen van het beroep nog geen sprake was van het niet tijdig beslissen door de Minister. De opposante stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Tijdens de zitting op 16 mei 2018 waren partijen niet aanwezig.
De rechtbank oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt en dat verwijzing naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet mogelijk is omdat er geen inhoudelijk besluit is genomen. De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is en dat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.