ECLI:NL:RBLIM:2018:5904

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 juni 2018
Publicatiedatum
21 juni 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3166
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep niet tijdig beslissen afgewezen

De zaak betreft een verzetprocedure tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een beroep dat was ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit na een eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 september 2017. In die uitspraak was aan de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat opgedragen binnen een redelijke termijn opnieuw te beslissen op het bezwaar van de opposante.

De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2017 niet-ontvankelijk verklaard omdat op het moment van het instellen van het beroep nog geen sprake was van het niet tijdig beslissen door de Minister. De opposante stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Tijdens de zitting op 16 mei 2018 waren partijen niet aanwezig.

De rechtbank oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt en dat verwijzing naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet mogelijk is omdat er geen inhoudelijk besluit is genomen. De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is en dat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en het beroep blijft niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 17/3166 V

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2018 op het verzet van

Vereniging Stop Awacs Overlast, te Brunssum, opposante

(gemachtigde: prof. mr. A.Q.C. Tak).

Procesverloop

Opposante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit na de uitspraak van deze rechtbank van 6 september 2017 (zaaknummers ROE 16/1959 en ROE 16/2199, ECLI:NL:RBLIM:2017:8607). In deze uitspraak heeft de rechtbank – voor zover hier relevant – de Minister van Defensie opgedragen binnen een redelijke termijn na verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van opposante te beslissen.
Bij uitspraak van 12 december 2017 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2018. Opposante en de Minister van Defensie zijn niet verschenen. De gemachtigde van opposante heeft bij brief van 30 april 2018 laten weten, in de periode waarin de zitting valt, geen afspraken te kunnen maken.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat ten tijde van het instellen van beroep geen sprake was van het niet tijdig beslissen door de Minister van Defensie.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat nu een van de procespartijen in hoger beroep tegen de uitspraak van 6 september 2017 heeft verklaard uiteraard gevolg te zullen geven aan die uitspraak en het nog te nemen besluit aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) te zullen doen toekomen, het in de rede had gelegen het beroep tegen het uitblijven van zodanig besluit door te sturen naar de Afdeling ten einde dit met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb bij de behandeling te betrekken.
4. De rechtbank is van oordeel dat, daargelaten het feit dat artikel 6:20, vierde lid, van de Awb een bevoegdheid en geen verplichting betreft, de beslissing op het beroep niet op grond daarvan kon worden verwezen naar de Afdeling, nu er geen sprake is van een alsnog genomen besluit. Zoals in het artikellid is bepaald, is verwijzing slechts mogelijk, indien er inmiddels een inhoudelijk besluit was genomen, hetgeen in casu niet het geval is.
5. Opposante heeft verder een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat daags na de uitspraak van deze rechtbank van 6 september 2017 de rechtbank in Den Haag de Staat veroordeeld heeft om een luchtkwaliteitsplan vast te stellen dat voldoet aan de regelgeving, waarbij ook nog bestuurlijke keuzes noodzakelijk zijn. De Staat is desondanks door de rechtbank verplicht om binnen twee weken na de betekening van haar vonnis de nodige maatregelen te nemen. Opposante voert aan dat het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat de Minister ook binnen twee weken na de bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank Limburg haar dient te informeren over de genomen maatregelen, bij gebreke waarvan er sprake is van een weigering om te beslissen als bedoeld in artikel 6:2, onder a, van de Awb.
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Het feit dat in een vonnis van een andere rechtbank een termijn van twee weken wordt genoemd, maakt niet, dat nu in de uitspraak van 6 september 2017 gesproken wordt van een redelijke termijn, hieronder twee weken moet worden verstaan. De inhoud van de twee aan de rechtbanken voorgelegde geschillen zijn niet gelijk. Bovendien geldt dat indien de rechtbank in haar uitspraak van 6 september 2017 met een redelijke termijn twee weken had bedoeld, zij deze termijn – gelet op het feit dat de einddatum daarvan zo kort na de uitspraak was gelegen – zelf in haar uitspraak had genoemd.
7. Opposante heeft tot slot gesteld dat de rechtbank ten onrechte haar brief van
9 december 2017 heeft aangemerkt als een beroepschrift, aangezien in die brief enkel was verzocht deze toe te voegen aan het dossier van de onderhavige zaak. Gelet op de bedoeling van opposante zal de brief in kwestie niet meer als zodanig worden opgevat, waarbij de rechtbank ter verklaring van het ontstane misverstand erop wijst dat in de brief van
9 december 2017 wordt verwezen naar artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
8. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak, inhoudende niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens, rechter, in aanwezigheid van J.W.J.M. van Rijt, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2018.
De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Afschrift verzonden aan partijen in de bodemzaak op: 22 juni 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.