Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[gedaagde sub 1] ,
2.[gedaagde sub 2] ,
3.[gedaagde sub 3] ,
1.Het verloop van de procedure
- de dagvaarding;
- de mondelinge behandeling.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
980,00;
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een geschil tussen erfgenamen over de verkoop van een woning die deel uitmaakt van de nalatenschap van hun overleden moeder. De woning was via een makelaar te koop aangeboden, maar een van de erfgenamen weigerde mee te werken aan de verkoop. De eiser vordert dat de onwillige erfgenamen worden veroordeeld om medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van hun aandeel in de woning.
De rechtbank overweegt dat erfgenamen te allen tijde verdeling van gemeenschappelijk goed kunnen vorderen en dat het spoedeisend belang blijkt uit klachten van buren over een gebrekkige scheidingsmuur die risicoaansprakelijkheid kan veroorzaken. Ook lopen de kosten van de woning door terwijl er weinig liquide middelen in de nalatenschap zijn.
De verweren van de onwillige erfgenaam, waaronder bezwaren tegen de potentiële kopers en het stellen van voorwaarden aan kostenverdeling, worden verworpen als niet relevant. De rechtbank veroordeelt de erfgenamen om mee te werken aan de verkoop en bepaalt dat bij weigering het vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaringen. De onwillige erfgenaam wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De erfgenamen worden veroordeeld tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning uit de nalatenschap.