ECLI:NL:RBLIM:2018:8498

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 september 2018
Publicatiedatum
10 september 2018
Zaaknummer
C/03/247200/HA RK 18-49
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 36 RvArt. 37 RvArt. 91 RvArt. 274 lid 4 Rv
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens niet tijdig verstrekken proces-verbaal

ProfiWork Personeelsdiensten heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. R.A.J. van Leeuwen, rechter in een civiele procedure, vanwege het niet tijdig verstrekken van het proces-verbaal van een zitting. Verzoekster stelde dat dit tekortkoming de traceerbaarheid en verifieerbaarheid van de beslissing schaadt en daardoor een vermoeden van partijdigheid oproept.

De rechter gaf aan dat het opstellen van het proces-verbaal vertraagd was door praktische problemen en dat volgens hem geen verplichting bestond om het proces-verbaal vóór de beslissing te verstrekken in verzoekschriftprocedures. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van het subjectieve en objectieve criterium voor rechterlijke onpartijdigheid.

Er werden geen feiten of omstandigheden gevonden die wijzen op subjectieve partijdigheid. Ook was er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid, mede omdat het tijdsverloop sinds de zitting beperkt was. De wrakingskamer achtte het niet verstrekken van het proces-verbaal op dat moment onvoldoende om de onpartijdigheid van de rechter in twijfel te trekken.

Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen. De wrakingskamer verwachtte dat het proces-verbaal spoedig aan verzoekster zou worden verstrekt, zodat de hoofdzaak voortgezet kan worden.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wegens het niet tijdig verstrekken van het proces-verbaal wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Datum beslissing: 10 september 2018
Zaaknummer: C/03/247200/HA RK 18-49
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken
op het verzoek van:
ProfiWork Personeelsdiensten B.V.,
gevestigd te 6131 AL Sittard aan de Rijksweg Zuid 27 (hierna: verzoekster),
ten deze vertegenwoordigd door (haar directeur) [directeur verzoeker] ,
tot wraking van:
mr. R.A.J. van Leeuwen, rechter in deze rechtbank (hierna: de rechter).

1.Het procesverloop

Verzoekster heeft op 5 maart 2018 een verzoek tot wraking ingediend van de rechter in zijn hoedanigheid van kantonrechter in het geding tussen verzoekster en [X] . Bij brief van 30 maart 2018 heeft verzoekster dit verzoek nader toegelicht.
De rechter heeft de wrakingskamer bericht dat hij niet in het verzoek tot wraking berust. Hij heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd en hij heeft voorts aangegeven niet ter zitting van de wrakingskamer te zullen verschijnen.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 4 april 2018 waarbij verzoekster zich heeft doen vertegenwoordigen.
Bij brief van 10 april 2018 heeft verzoekster een verzoek tot wraking ingediend van de wrakingskamer, welk verzoek bij beslissing van 15 juni 2018 gedeeltelijk is toegewezen.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft vervolgens opnieuw plaatsgevonden op 30 augustus 2018 in een andere samenstelling van de wrakingskamer.
De datum van de uitspraak is bepaald op heden.

2.De gronden van het wrakingsverzoek

Verzoekster heeft de rechter in de hiervoor genoemde zaak eerder gewraakt; het betreffende wrakingsverzoek is bij beslissing van 9 november 2017 afgewezen. De zaak is vervolgens door de rechter behandeld ter zitting van 7 februari 2018. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft verzoekster op 5 maart 2018 andermaal een wrakingsverzoek ingediend. Verzoekster heeft aan dit verzoek tegen grondslag gelegd – kort samengevat – dat zij op 8 februari 2018 heeft verzocht om het proces-verbaal te verstrekken van de mondelinge behandeling ter zitting. Ondanks meerdere verzoeken en toezeggingen is tot op heden dit proces-verbaal nog niet opgemaakt en aan verzoekster verstrekt. De rechter heeft daarmee gehandeld in strijd met de artikelen 91, 279, vierde lid, en 290, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), waaruit volgens verzoekster een verplichting voortvloeit tot het tijdig opmaken van een proces-verbaal. Verzoekster stelt dat zij bij gebreke van dit proces-verbaal niet kan nagaan of bepaalde stellingen, bewijsmiddelen en (vorm-) voorschriften, die door haar in de procedure zijn ingebracht en bij de behandeling op de zitting naar voren zijn gebracht, in de overwegingen en in de beslissing van de rechter zullen worden meegenomen. Tegen deze achtergrond is het niet of niet tijdig opmaken van een proces-verbaal naar de mening van verzoekster laakbaar, omdat daarmee de traceerbaarheid en de verifieerbaarheid van een beslissing niet langer is gewaarborgd. Omdat daarmee haar belang als procespartij mogelijk wordt geschaad, doet dit vermoeden dat de rechter mogelijk partijdig is.
Bij de behandeling ter zitting van het wrakingsverzoek op 30 augustus 2018 heeft verzoekster haar standpunt nog nader toegelicht en daarbij volhard, waarbij verzoekster heeft aangevuld dat de griffie hem heeft bericht dat hangende het verzoek tot wraking afgifte van het proces-verbaal niet mogelijk is.

3.Het standpunt van de rechter

In zijn schriftelijke reactie van 7 maart 2018 heeft de rechter onder meer – eveneens kort samengevat – het navolgende naar voren gebracht.
In de eerste plaats heeft de rechter aangegeven dat het opstellen van het proces-verbaal wegens enkele praktische problemen met betrekking tot de inzetbaarheid van de betrokken griffier enige tijd is blijven liggen.
Voorts heeft de rechter zich op het standpunt gesteld dat de uitgangspunten voor het verstrekken van het proces-verbaal zijn geregeld in artikel 274, vierde lid, Rv. Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat een verplichting om het proces-verbaal te verstrekken voordat de beslissing wordt verstrekt niet bestaat in verzoekschriftprocedures. Partijen dienen wel tijdig een afschrift van het proces-verbaal te krijgen, in de zin van zo tijdig dat zij de inhoud ervan kunnen betrekken bij de afweging of zij al dan niet hoger beroep willen instellen. Het – ten tijde van de schriftelijke reactie – niet verstrekken van het proces-verbaal aan verzoekster rechtvaardigt niet de objectieve vrees dat de rechter niet onpartijdig zou zijn.
De rechter heeft op 21 augustus 2018 de wrakingskamer schriftelijk bericht te persisteren bij dit standpunt.

4.De beoordeling

Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het hen – onder meer ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – toekomende recht op rechterlijke onpartijdigheid af te dwingen. Gelet op het bepaalde in artikel 36 Rv Pro is wraking mogelijk op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij geldt dat ingevolge artikel 37 Rv Pro het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden en dat alle feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen.
Uitgangspunt bij de beoordeling van een wrakingsverzoek is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van de indiener van het verzoek daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.
Ten aanzien van het subjectieve criterium overweegt de wrakingskamer dat er in het onderhavige verzoek tot wraking geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er sprake is van subjectieve partijdigheid. De wrakingskamer zal dan ook enkel beoordelen of er sprake is van een bij verzoekster bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.
In dat kader overweegt de wrakingskamer het navolgende. Voorop moet worden gesteld dat in artikel 37 Rv Pro besloten ligt dat een verzoek tot wraking moet worden beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan (direct) voorafgaand aan dat verzoek. Voor zover verzoekster er ter zitting op heeft gewezen dat het proces-verbaal nog steeds niet is verstrekt, kan de wrakingskamer deze omstandigheid daarom niet bij haar beoordeling betrekken. De wrakingskamer is voorts van oordeel dat de door de verzoekster in het wrakingsverzoek van 5 maart 2018 aangevoerde omstandigheid dat de rechter geen gevolg heeft gegeven aan haar verzoek tot het verstrekken van een proces-verbaal van de in de zaak gehouden zitting, gelet op het beperkte tijdsverloop sinds de mondelinge behandeling op 7 februari 2018, op dat moment geen omstandigheid opleverde die naar objectieve maatstaven de vrees rechtvaardigt dat het de rechter bij de uiteindelijke beoordeling van de zaak aan onpartijdigheid ontbreekt. Er kan dan ook niet geoordeeld worden dat de rechter door het niet afgeven van het proces-verbaal van de zitting ten tijde van het wrakingsverzoek zich jegens verzoekster partijdig heeft opgesteld, dan wel daarvan de schijn heeft gewekt.
Nu verzoekster geen andere gronden aan haar wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, behoort dit te worden afgewezen.
Ten overvloede merkt de wrakingskamer op dat zij ervan uitgaat dat, gelet op het feit dat nu er thans uitspraak wordt gedaan in de wrakingsprocedure en derhalve de behandeling van de hoofdzaak kan worden voortgezet, het verzochte proces-verbaal van mondelinge behandeling van 7 februari 2018 op korte termijn aan verzoekster zal worden verstrekt.

5.De beslissing

De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking van mr. R.A.J. van Leeuwen af.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, mr. T.M. Schelfhout en mr. M.J.A.G. van Baal, leden, bijgestaan door mr. H.M.E. de Beukelaer als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2018.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.