Uitspraak
Rechtbank Limburg
STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een verzoek van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (GI) om voorlopige voogdij te verkrijgen over een minderjarige wiens moeder en gezagsdrager is overleden. Hoewel er een voorlopige ondertoezichtstelling (OTS) van kracht is, stelt de GI dat er sprake is van een gezagsvacuüm omdat de vader niet betrokken is en er geen wettelijk gezag meer wordt uitgeoefend.
De raad voor de kinderbescherming meent dat een voorlopige gezagsvoorziening niet dringend is, omdat het lopende OTS nog tot 25 september 2018 geldt en het onderzoek bijna gereed is. De rechtbank overweegt dat een OTS een gezagsbeperkende maatregel is en niet automatisch gezag verleent. Het overlijden van de gezagsdrager leidt tot een gezagsvacuüm dat niet door de OTS wordt opgevangen.
Gezien de noodzakelijke beslissingen die genomen moeten worden, zoals schoolinschrijving en nalatenschapsafwikkeling, acht de rechtbank het dringend en onverwijld noodzakelijk om voorlopige voogdij toe te kennen aan de GI. Deze voogdij geldt voor drie maanden en vervalt automatisch tenzij voor die tijd een voorziening wordt gevraagd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten.
Uitkomst: Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg wordt belast met voorlopige voogdij over de minderjarige voor drie maanden wegens gezagsvacuüm na overlijden moeder.