De rechtbank Limburg behandelde op 20 maart 2018 de ontnemingsvordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht tegen veroordeelde, die was veroordeeld voor het telen van hennep in de periode van 1 januari 2015 tot 18 februari 2016. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel over een langere periode, namelijk van 1 januari 2010 tot en met 1 januari 2016, gebaseerd op bewijs dat de hennepteelt al sinds 2009 plaatsvond.
De rechtbank achtte aannemelijk dat veroordeelde gedurende zes jaar vijf keer per jaar een oogst van 52 hennepplanten had, wat neerkomt op 30 oogsten. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd gebaseerd op genormeerde bedragen uit rapporten van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM) uit 2005 en een update uit 2010, waarbij bruto-opbrengsten, afschrijvingskosten, variabele kosten, elektriciteitskosten en gebruikskosten van een knipmachine werden meegenomen.
De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moest worden verklaard voor het deel van de vordering vóór 2015 en het verzoek om bankgegevens toe te voegen. De rechtbank stelde het netto wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €121.307,44 en legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen.
De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e Wetboek van Strafrecht en bevestigt dat ontneming kan worden gebaseerd op andere strafbare feiten dan waarvoor veroordeelde is veroordeeld, mits daarvoor voldoende aanwijzingen bestaan. De procedure vond plaats in aanwezigheid van de raadsman van veroordeelde, die niet zelf aanwezig was.
De rechtbank gaf hiermee een gedetailleerde onderbouwing van de ontnemingsvordering en bevestigde de rechtmatigheid van de toegepaste berekeningsmethodiek en de termijn waarover het voordeel werd geschat.