Uitspraak
RECHTBANK limburg
[naam] , te Sittard, verzoeker
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
Rechtbank Limburg
Verzoeker, die sinds januari 2017 een Ziektewetuitkering ontving, kreeg deze uitkering beëindigd per 5 januari 2018 omdat hij volgens verweerder meer dan 65% van zijn vroegere loon kan verdienen. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze beëindiging, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de werking van het besluit te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat alleen bij een acute financiële noodsituatie die niet op andere wijze kan worden opgelost, een voorlopige voorziening kan worden getroffen. Verzoeker had een bijstandsuitkering aangevraagd, maar deze werd afgewezen vanwege onvoldoende gegevens. Ook een eerder verzoek om voorlopige voorziening in verband met de bijstand werd afgewezen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker onvoldoende financiële gegevens had overgelegd om het ontbreken van middelen van bestaan aannemelijk te maken. Het lag op de weg van verzoeker om in de lopende procedure of via een nieuwe aanvraag duidelijkheid te verschaffen over zijn inkomens- en vermogenspositie. Omdat dit niet was gebeurd, zag de voorzieningenrechter geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder zitting, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering is afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.