ECLI:NL:RBLIM:2018:9814

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 oktober 2018
Publicatiedatum
12 oktober 2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2243
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.M. Schelfhout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging Ziektewetuitkering

Verzoeker, die sinds januari 2017 een Ziektewetuitkering ontving, kreeg deze uitkering beëindigd per 5 januari 2018 omdat hij volgens verweerder meer dan 65% van zijn vroegere loon kan verdienen. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze beëindiging, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de werking van het besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat alleen bij een acute financiële noodsituatie die niet op andere wijze kan worden opgelost, een voorlopige voorziening kan worden getroffen. Verzoeker had een bijstandsuitkering aangevraagd, maar deze werd afgewezen vanwege onvoldoende gegevens. Ook een eerder verzoek om voorlopige voorziening in verband met de bijstand werd afgewezen.

De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker onvoldoende financiële gegevens had overgelegd om het ontbreken van middelen van bestaan aannemelijk te maken. Het lag op de weg van verzoeker om in de lopende procedure of via een nieuwe aanvraag duidelijkheid te verschaffen over zijn inkomens- en vermogenspositie. Omdat dit niet was gebeurd, zag de voorzieningenrechter geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder zitting, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering is afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB/ROE 18/2243
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te Sittard, verzoeker

(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), verweerder
(gemachtigde: A.M.C. Crombach).

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die verzoeker ontving ingevolge de Ziektewet (ZW) beëindigd per 5 januari 2018.
Bij besluit van 24 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Verzoeker had met ingang van 2 januari 2017 een uitkering ingevolge de ZW. Verweerder heeft deze uitkering bij het primaire besluit beëindigd per 5 januari 2018 omdat verzoeker volgens hem meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard.
3. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. In geval de bodemzaak het recht op uitkering ingevolge een socialezekerheidswet betreft, is in beginsel slechts sprake van een spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen als zich een acute financiële noodsituatie voordoet die niet op andere wijze is op te heffen. Tenzij het verzoek betrekking heeft op bijstand, is daarbij is uitgangspunt dat de bijstandsvoorziening in het kader van de Participatiewet (PW) een vangnet biedt waarmee, behoudens de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, in beginsel in alle gevallen een minimaal noodzakelijk inkomen is gewaarborgd.
5. Verzoekers gemachtigde heeft bij brief van 25 september 2018 uiteengezet waarom in het geval van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker zit al maanden zonder inkomen. Hij heeft een bijstandsuitkering aangevraagd, maar die aanvraag is afgewezen. Verzoeker heeft hangende het bezwaar tegen de afwijzing van de gevraagde bijstandsuitkering ingevolge de PW een voorlopige voorziening gevraagd, maar dat verzoek is afgewezen op 2 juli 2018. Verzoeker verkeert thans (nog steeds) in de situatie dat hij zijn maandelijkse lasten – zoals de energiekosten – niet meer kan betalen. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter dan ook om de werking van het primaire besluit en het besluit op bezwaar van verweerder te schorsen totdat op het beroep is beslist.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bijstandsaanvraag en ook het eerdere verzoek om voorlopige voorziening van 2 juli 2018 zijn afgewezen, omdat er geen of onvoldoende gegevens door verzoeker zijn overgelegd om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Nog daargelaten dat aan het onderhavige verzoek (ook) geen (financiële) gegevens ten grondslag zijn gelegd die het ontbreken van middelen van bestaan aannemelijk maken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het op de weg van verzoeker ligt om in het kader van de – naar de voorzieningenrechter aanneemt – nog lopende procedure tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag, dan wel in het kader van een nieuwe bijstandsaanvraag, de nodige duidelijkheid te verschaffen over zijn inkomens- en vermogenspositie. Als dit niet tot toekenning van bijstand leidt, bestaat de mogelijkheid om in dat verband opnieuw om een voorlopige voorziening te vragen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om thans in het kader van het beroep tegen de ZW-uitkering te concluderen dat sprake is van een situatie die tot het treffen van een voorlopige voorziening noopt.
7. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter niet toe aan beantwoording van de vraag of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het thans bestreden besluit in rechte stand houdt.
8. Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking genomen dat het in het belang van verzoeker is dat zo snel mogelijk duidelijk wordt dat deze verzoekprocedure niet tot het beoogde resultaat zal leiden, heeft behandeling van het verzoek ter zitting geen meerwaarde. Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb doet de voorzieningenrechter daarom zonder zitting uitspraak en wijst hij het verzoek om voorlopige voorziening af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.M. Schelfhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 oktober 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 12 oktober 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.