ECLI:NL:RBLIM:2019:10634

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 november 2019
Publicatiedatum
26 november 2019
Zaaknummer
8150297 CV EXPL 19-7484
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • E.P. van Unen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststellingsovereenkomst en voorwaardelijke ontruiming in huurgeschil

In deze kortgedingprocedure tussen verhuurster en huurster heeft de kantonrechter vastgesteld dat partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling tot volledige overeenstemming zijn gekomen. Deze overeenstemming is vastgelegd in een ondertekende vaststellingsovereenkomst, die onderdeel uitmaakt van het vonnis.

De kantonrechter heeft enkele kennelijke verschrijvingen in de overeenkomst gecorrigeerd, waaronder het corrigeren van een foutieve verwijzing naar de verhuurster in plaats van de huurster en het woord 'dienstverband'. Tevens is verduidelijkt dat 'na 2 december' gelezen moet worden als 'vanaf 2 december'.

Verhuurster heeft haar eis aangepast tot een voorwaardelijke ontruiming van het gehuurde, niet eerder dan 2 december 2019. Huurster heeft hiermee (impliciet) ingestemd. Indien huurster niet aan de afspraken voldoet, worden aanvullende eisen toegewezen, waaronder betaling van achterstallige bedragen en maandelijkse vergoedingen.

De proceskosten worden gecompenseerd indien huurster aan de overeenkomst voldoet. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een gedetailleerde regeling over ontruiming, betaling en kostenveroordeling bij niet-nakoming.

Uitkomst: Huurster wordt voorwaardelijk veroordeeld tot ontruiming en betaling conform de vaststellingsovereenkomst, met aanvullende veroordelingen bij niet-nakoming.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 8150297 CV EXPL 19-7484
Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 26 november 2019
in de zaak van
[eiseres],
wonend [adres 1] ,
[woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde mr. F.E.L. Teerling,
tegen
[gedaagde],
wonend [adres 2] ,
[woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. W. Postma.
Partijen zullen hierna verhuurster en huurster worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 november 2019
- het emailbericht van 22 november 2019 zijdens verhuurster, met als bijlagen een schrijven d.d. 22 november 2019 zijdens huurster en een vaststellingsovereenkomst
- de mondelinge behandeling van 25 november 2019, waar verhuurster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Huurster is met voorafgaande kennisgeving (het schrijven van 22 november 2019) niet verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling tot volledige overeenstemming gekomen en hebben deze overeenstemming opgenomen in een door hen ondertekende vaststellingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst), die aan dit vonnis wordt gehecht en er deel van uitmaakt.
2.1.1.
Voor wat betreft de inhoud van de overeenkomst het volgende. De gemachtigde van verhuurster heeft ter zitting desgevraagd beaamd dat onder punt 3 gelezen dient te worden “huurster” in plaats van “verhuurster” (en daarmee “ver” dient te worden doorgestreept). Hier is sprake van een kennelijke verschrijving, gelet op de aard en verdere inhoud van de overeenkomst. Voorts is beaamd dat het woord “dienstverband” in de tekst een vergissing is (en dient te worden doorgestreept). De kantonrechter heeft deze twee wijzigingen met pen in de overeenkomst aangebracht en geparafeerd. Deze wijzigingen maken onderdeel uit van de overeenkomst. De gemachtigde van verhuurster heeft verder bevestigd dat in punt 5 met “na 2 december” is bedoeld “vanaf 2 december”. Een andere uitleg ligt hier niet in de rede.
2.2.
Verhuurster heeft de eis onder punt 1 van het petitum gewijzigd en vordert op dit onderdeel nog slechts de voorwaardelijke veroordeling van huurster tot ontruiming van het gehuurde, maar niet eerder dan op 2 december 2019. Gelet op hetgeen in de overeenkomst is overeengekomen, heeft huurster (impliciet) ingestemd met toewijzing van de aldus verminderde eis. De gewijzigde eis zal worden toegewezen.
2.3.
Verhuurster heeft de overige eisen in het petitum onverkort gehandhaafd in het geval huurster uiterlijk 2 december 2019 niet aan de regeling heeft voldaan. Huurster heeft ook hiermee (impliciet) ingestemd. Ook deze eisen zullen worden toegewezen.
2.4.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt, in het geval huurster op 2 december 2019 aan de regeling heeft voldaan.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
bepaalt dat de tussen partijen gemaakte afspraken, neergelegd in de (in fotokopie) aan dit vonnis gehechte overeenkomst, deel uitmaken van dit vonnis,
3.2.
veroordeelt partijen tot nakoming van de in die overeenkomst vastgelegde afspraken,
3.3.
compenseert de proceskosten, onder de voorwaarde dat huurster de afspraken in de overeenkomst nakomt,
3.4.
veroordeelt huurster, onder de voorwaarde dat zij nagenoemd appartement niet uiterlijk 2 december 2019 op de in de overeenkomst bepaalde wijze heeft ontruimd, om het appartement gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats 2] , met alle zich daarin van harentwege bevindende personen en zaken binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels en in goede staat ter vrije beschikking van verhuurster te stellen,
3.5.
veroordeelt huurster, onder de voorwaarde dat zij niet vóór 2 december 2019 een bedrag van € 1.323,00 op de in de vaststellingsovereenkomst bepaalde wijze aan verhuurster heeft betaald, om aan verhuurster binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 2.582,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 november 2019 tot de dag van volledige betaling,
3.6.
veroordeelt huurster, onder de voorwaarde dat zij meergenoemd appartement niet uiterlijk 2 december 2019 heeft ontruimd, om aan verhuurster tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 661,50 per maand voor elke ingegane maand na november 2019 tot aan de dag waarop het gehuurde behoorlijk is ontruimd,
3.7.
veroordeelt huurster, onder de voorwaarde dat zij de afspraken in de overeenkomst niet nakomt, in de proceskosten aan de zijde van verhuurster begroot € 821,05, waarvan
€ 720,00 aan salaris gemachtigde,
3.8.
veroordeelt huurster, onder de voorwaarde dat huurster niet binnen twee weken na aanschrijving door verhuurster volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 120,00 aan salaris gemachtigde, en indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van die betekening,
3.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken.
NIv