De rechtbank Limburg behandelde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om een minderjarige onder toezicht te stellen tot zijn meerderjarigheid en een machtiging voor gesloten jeugdhulp toe te kennen. De minderjarige kampt met complexe problematiek, waaronder beperkte cognitieve vermogens, langdurig schoolverzuim, problematisch gedrag en spanningen binnen het gezin, met name door de culturele en persoonlijke problematiek van de moeder.
De kinderrechter stelde vast dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling en dat de noodzakelijke hulp niet voldoende wordt geaccepteerd door hem en zijn moeder. De ondertoezichtstelling werd daarom toegewezen tot 5 november 2019. Het verzoek tot gesloten jeugdhulp werd afgewezen omdat de gedragswetenschapper die instemming moet verlenen de minderjarige niet kort tevoren had onderzocht, wat wettelijk vereist is.
Tijdens de zitting bleek dat de gedragswetenschapper aanvankelijk geen instemming gaf, maar deze later wijzigde zonder recent contact met de minderjarige, wat de rechter onvoldoende vond. Ook was er twijfel over de juistheid van zorgelijke signalen over contacten met oudere mannen en mogelijke prostitutie, die niet waren geverifieerd. De rechter benadrukte dat de gesloten jeugdhulp mogelijk traumatiserend kan zijn en dat alternatieve, minder ingrijpende vormen van hulpverlening nog onderzocht moeten worden.
De beschikking werd in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2019 door kinderrechter P.H.J. Frénay. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.