In deze zaak gaat het om een verzoek van de ouders om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) die het contact tussen hen en hun minderjarige kinderen beperkt, geheel te laten vervallen. Tevens verzoeken zij om vervanging van de GI vanwege vermeende onzorgvuldigheden en onvoldoende uitvoering van de ondertoezichtstelling.
De rechtbank overweegt dat de schriftelijke aanwijzing van de GI, gegeven op grond van artikel 1:265f BW, ten onrechte is gebruikt om contactmomenten verder te beperken nadat een ondergrens was vastgesteld door de voorzieningenrechter. Volgens de Hoge Raad dient de GI zich in dat geval tot de kinderrechter te wenden op grond van artikel 1:265g BW, die een ruimere rechtsbescherming biedt. Daarom verklaart de rechtbank de schriftelijke aanwijzing vervallen.
Het verzoek tot vervanging van de GI wordt afgewezen. De rechtbank stelt dat de ouders voldoende mogelijkheden hebben om tegen het functioneren van de GI op te komen via klachtenprocedures en rechterlijke toetsing. Hoewel de samenwerking tussen ouders en GI te wensen overlaat, is dat onvoldoende grond om de GI te vervangen. Ook weegt mee dat een nieuwe GI een extra belasting voor de kinderen zou betekenen.
De beschikking tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing is op 10 januari 2019 in het openbaar uitgesproken en op 29 januari 2019 schriftelijk vastgelegd. De beslissing op het verzoek tot vervanging van de GI is op 29 januari 2019 gegeven en uitgesproken.