Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
‘ik zag dat de lip van mijn maat begon te trillen. Ik zag dat hij gek werd. We werden besprongen en dan reageren wij. In Rotterdam is dat normaal. Als je geslagen wordt, dan gebeurt dit gewoon dat er iemand in zijn hoofd doordraait. Je kunt niet iemand zomaar mishandelen. Dan gaat er geschoten worden’.Verdachte en [medeverdachte] krijgen rake klappen. Verdachte weet als eerste weg te komen van de vechtpartij en rent richting Meidoornstraat, daarna volgt [medeverdachte] . Getuige [getuige 5] hoort iemand met het signalement van verdachte roepen:
‘ik ga gunno halen’. Getuige [getuige 5] hoort verdachte zeggen:
‘wacht maar ik kom terug’.
‘ik ga skieten’. Verdachte weet vanaf nu dat [medeverdachte] het wapen ook daadwerkelijk zal gebruiken, dat het van de lock af moet zijn, want er is geschoten.
- Verdachten deel uitmaakten van een langer slepend conflict in de Blerickse drugswereld;
- In dit conflict meerdere (gewapende) confrontaties hebben plaatsgevonden;
- Verdachten het besluit genomen hebben om, ondanks deze confrontaties, in Venlo/Blerick te blijven, enkel om geld te verdienen aan de drugshandel;
- Verdachten vanwege dit conflict een wapen hebben aangeschaft met het doel dit bij escalatie van het conflict te kunnen gebruiken;
- Na het eerste incident op de Sloterbeekstraat al is gesproken over het ophalen van het wapen en dat dit na het tweede incident op de Alberickstraat ook daadwerkelijk is gebeurd;
- Op de Diependijkstraat voor het eerst is geschoten met dit wapen;
- Tussentijds het wapen vermoedelijk drie maal, maar in ieder geval twee maal opnieuw schietklaar is gemaakt, door het te deblokkeren, door te laden of de slede terug te zetten. Het wapen stond dus op scherp;
- Uiteindelijk bij de laatste confrontatie op de Nieuwborgstraat [slachtoffer] met vier schoten om het leven is gebracht.
‘bel jij [bijnaam A] (toevoeging officieren van justitie: [bijnaam A] is de bijnaam van [persoon 2 Randstadgroep] ) voor mij. Hij moet gaan getuigen en zeggen dat hij die dag in de buurt was en zag dat ik op grond werd geslagen. Ohja en als [bijnaam A] wilt getuigen moet die wel zelf naar scotoe gaan he en zeggen dat die wilt getuigen. En ishen verhaal maken maar wel zeggen dat ik heb gezegd tegen jou…’. De rest van de brief gaat over wat [bijnaam A] moet verklaren.
- Onderweg naar de Eindhovenseweg probeerden ze me te blokkeren en riepen uit het raam: ‘kom dan, kom dan’;
- Ik ben achter hun aan, richting de Alberickstraat gereden;
- Daar zaten ook al een paar jongens ons op te wachten;
- Dit keer was ik boos waardoor ik er niet over nadacht om weg te gaan. Ook omdat ik opgefokt was door de politiecontrole dus ik dacht: we zien wel wat er gebeurt;
- Ik werd door 5 man besprongen en er werd getrapt op mijn hoofd, waardoor ik mijn bewustzijn verloor. Ze bleven op mij intrappen;
- Ik ben vervolgens weggerend richting de Meidoornstraat, niet wetend dat [medeverdachte] achter mij aan rende;
- Vervolgens heb ik dat wapen gepakt in de flat waar wij het wapen hebben verstopt;
- Ik rende richting de Diependijkstraat. Onderweg kwam ik [medeverdachte] tegen met bloed uit zijn neus en open wonden;
- Hij kwam op mij afgestormd en zei ‘geef mij die ding’, waardoor ik hem dat wapen overhandigde;
Op het moment dat [medeverdachte] in de lucht schoot zat [medeverdachte] met het wapen te vechten;
- Ik wist niet wat [medeverdachte] met het vuurwapen wilde doen. Ik dacht dat hij ze wou afschrikken;
- Op de Nieuwborgstraat liep [medeverdachte] op de stoep en ik op de weg. De auto reed de rotonde af en draaide de auto haaks op de weg;
- Ik kreeg een klap op mijn oog waar ik al eerder een klap op had gekregen had. Ik ging gelijk op de grond. Ik was out;
- Gedurende het schietincident was ik out.
willenuiten jegens een ander is in dit geval dan ook onvoldoende om van een voltooid delict te kunnen spreken. Evident is dat verdachte drie brieven heeft geschreven, via [persoon 1 Randstadgroep] gericht aan “ [bijnaam A] ” en twee brieven gericht aan [medeverdachte] . Deze brieven zijn ook daadwerkelijk door verdachte verzonden en zijn vervolgens – alvorens deze al dan niet zijn doorgezonden – in handen gekomen van de PI en het GRIP. Bij elk van de brieven is op grond van de informatie in het procesdossier niet met zekerheid vast te stellen of deze ook daadwerkelijk [persoon 1 Randstadgroep] en/of [medeverdachte] hebben bereikt. Wat wèl bij elk van de brieven met zekerheid is vast te stellen, is dat verdachte zich jegens [bijnaam A] (via [persoon 1 Randstadgroep] ) en [medeverdachte] heeft
willenuiten op de manier zoals strafbaar gesteld in artikel 285a, van het Wetboek van Strafrecht. Daarmee is ten aanzien van elk van de brieven wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd zich jegens “ [bijnaam A] ” via [persoon 1 Randstadgroep] en/of jegens [medeverdachte] uit te laten, kennelijk om hun vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, waarbij verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring ook daadwerkelijk zou worden afgelegd.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De straf
8.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
9.De vordering tenuitvoerlegging (parketnummer 10/650175-15)
10.Het bevel gevangenhouding
11.De wettelijke voorschriften
12.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 jaren;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;