Tussen werknemer en ArcelorMittal bestond een arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer als supervisor werkte. In 2018 voerde ArcelorMittal een organisatorische wijziging door, waarbij het drieploegensysteem werd vervangen door een tweeploegensysteem. Dit leidde tot het vervallen van de functie van de werknemer. Na een eerdere afwijzing van ontbinding door de rechtbank, vroeg ArcelorMittal bij het UWV toestemming voor ontslag op bedrijfseconomische gronden, welke werd verleend.
De werknemer verzocht de kantonrechter om herstel van het dienstverband, stellende dat de wijzigingen niet met hem waren besproken en dat de nieuwe functie slechts marginaal verschilde van de oude. ArcelorMittal stelde dat de functie daadwerkelijk was komen te vervallen en dat herplaatsing niet mogelijk was. De kantonrechter toetste of de opzegging noodzakelijk was voor een doelmatige bedrijfsvoering en of herplaatsing binnen een redelijke termijn mogelijk was.
De kantonrechter oordeelde dat ArcelorMittal de bedrijfseconomische noodzaak voldoende had onderbouwd en dat de werknemer onvoldoende tegenbewijs had geleverd. Communicatiegebreken boden geen grond voor herstel van het dienstverband. Ook was de afspiegelingsberekening juist toegepast, waardoor de werknemer voor ontslag in aanmerking kwam. Herplaatsing was niet mogelijk. Daarom werd het verzoek tot herstel afgewezen en werd de werknemer veroordeeld in de proceskosten.