ECLI:NL:RBLIM:2019:129

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 januari 2019
Publicatiedatum
9 januari 2019
Zaaknummer
C/03/257939 / FA RK 18-4582
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:413 BWArt. 1:414 BWArt. 267 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot oproeping en rechtsvermoeden van overlijden van vermiste persoon

Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om haar te gelasten de sinds 29 maart 2012 vermiste persoon op te roepen om zijn in leven zijn te doen blijken en, indien dit niet gebeurt, te verklaren dat er een rechtsvermoeden van overlijden bestaat.

De vermiste is sinds zijn verdwijning spoorloos. Er is telefonisch contact geweest op de dag van verdwijning, maar sindsdien ontbreekt ieder spoor. De auto van de vermiste werd teruggevonden nabij een restaurant langs de A12. Ondanks politieonderzoek, een rechercheteam van 20 personen en een uitgeloofde beloning van €10.000, is de vermissing nooit opgelost. De politie vermoedt dat de vermiste slachtoffer is van een misdrijf en niet meer in leven is.

De rechtbank oordeelt dat de wettelijke termijn voor het aannemen van het rechtsvermoeden van overlijden is verstreken en dat er voldoende grond is om de oproeping te gelasten. De oproeping zal plaatsvinden via publicatie in De Telegraaf en de Staatscourant. De kosten van publicatie worden ten laste van het vermogen van de vermiste gebracht.

De beschikking is uitgesproken door rechter J.J.M. Wassenberg op 9 januari 2019 te Roermond. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank gelast de oproeping van de vermiste en bepaalt dat het rechtsvermoeden van overlijden kan worden aangenomen.

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/257939 / FA RK 18-4582
Beschikking van 09 januari 2019
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [adresgegevens verzoekster] ,
hierna te noemen verzoekster respectievelijk de dochter,
advocaat: mr. R.H.L. van de Laar.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Dit blijkt uit het volgende:
  • het verzoekschrift ex artikel 1:413 van Pro het Burgerlijk Wetboek – verder BW – gericht aan de rechtbank Den Haag;
  • de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 november 2018, waarbij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt is verwezen naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond.

2.Het verzoek

2.1.
Verzoekster verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar te gelasten
[naam vermiste], geboren te [geboortegegevens vermiste] , laatstelijk wonende te [adres vermiste] , op te roepen ten einde van zijn in leven zijn te doen blijken en, zo hiervan niet blijkt, te verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste
[naam vermiste]– verder [naam vermiste] – bestaat.
2.2.
[naam vermiste] is op 29 maart 2012 verdwenen en sindsdien spoorloos. [naam vermiste] wordt vermoed niet meer in leven te zijn. Op 29 maart 2012 is er nog telefonisch contact geweest tussen [naam vermiste] en een van zijn dochters. Daarna ontbreekt ieder spoor van [naam vermiste] . Opmerkelijk is dat [naam vermiste] niet is verschenen op de crematie van zijn moeder op
31 maart 2012. Verzoekster heeft op 1 april 2012 aangifte van vermissing van [naam vermiste] bij de politie gedaan. De auto van [naam vermiste] is op 2 april 2012 teruggevonden bij AC restaurant De Meern, langs de A 12. Na de aangifte heeft de politie een politiebericht uitgezonden op de publieke zenders en is een rechercheteam samengesteld van 20 rechercheurs, die zich hebben beziggehouden met de vermissing van [naam vermiste] . [naam vermiste] was van beroep autohandelaar en had een eigen onderneming te Echt: “ [naam bedrijf] ”. Ondanks een door de politie uitgeloofde beloning van € 10.000,00 is de vermissing van [naam vermiste] nimmer opgelost. Anno 2018 is er nog altijd geen spoor van [naam vermiste] . Vermoed wordt dat [naam vermiste] slachtoffer is van een misdrijf en ook de politie denkt dat [naam vermiste] niet meer in leven is. Verzoekster heeft er belang bij dat de rechtbank zal verklaren dat er een rechtsvermoeden van overlijden van [naam vermiste] bestaat.
Het belang van verzoekster is daarin gelegen, dat de erfgenamen van [naam vermiste] , waaronder verzoekster, kunnen overgaan tot afwikkeling van de nalatenschap van [naam vermiste] .

3.De beoordeling

3.1.
Gelet op het bepaalde in artikel 267 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is deze rechtbank bevoegd om van het verzoekschrift kennis te nemen.
Op grond van de stellingen in het verzoekschrift is de rechtbank van oordeel dat er voldoende grond bestaat om verzoekster te gelasten de vermiste [naam vermiste] op te roepen ten einde van zijn in leven zijn te doen blijken. De tijdruimte als bedoeld in artikel 413 lid 2 BW Pro is verstreken.
De oproeping van de vermiste zal dienen te geschieden overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:414 BW Pro.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
gelast verzoekster om de vermiste
[naam vermiste], geboren te [geboortegegevens vermiste] , laatstelijk wonende te [adres vermiste] , op te roepen voor de terechtzitting van donderdag 14 maart 2019 te 13.15 uur in het gerechtsgebouw te Roermond, Willem II Singel 67;
4.2.
bepaalt dat de griffier deze oproep namens verzoekster zal publiceren in “De Telegraaf” en in de “Staatscourant”;
4.3.
beveelt verzoekster, desgewenst vergezeld van haar raadsman, zonder nadere oproeping op donderdag 14 maart 2019 te 13.15 uur in het gerechtsgebouw te Roermond aanwezig te zijn;
4.4.
bepaalt dat de kosten van publicatie ten laste van het vermogen van de vermiste worden gebracht.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. Wassenberg, rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van J.H. van den Kieboom, griffier op 09 januari 2019.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.