ECLI:NL:RBLIM:2019:2517
Rechtbank Limburg
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek som ineens mantelzorgvergoeding wegens niet tijdige verklaring aan erfgenamen
Verzoekster, mantelzorgster van de overleden erflaatster, vordert een som ineens van €23.400 als vergoeding voor haar zorg, die zij stelde niet te hebben ontvangen. Zij baseert dit op haar langdurige persoonlijke en huishoudelijke verzorging, waardoor zij studie- en carrièreschade heeft geleden.
De belanghebbenden, tevens erfgenamen, voeren verweer dat verzoekster haar aanspraak niet tijdig kenbaar heeft gemaakt binnen de in artikel 4:37 lid 1 BW Pro gestelde termijn, waardoor haar vordering vervalt. De kantonrechter overweegt dat de verklaring van een aanspraak op een som ineens aan alle erfgenamen moet worden gericht en dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat zij dit heeft gedaan.
Verzoekster kon niet aantonen wanneer en aan welke erfgenamen zij haar aanspraak kenbaar heeft gemaakt. Ook tijdens de mondelinge behandeling ontbrak concrete onderbouwing. De kantonrechter concludeert dat het verzoek niet ontvankelijk is en wijst het af. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familieband tussen partijen.
Uitkomst: Het verzoek om een som ineens wordt afgewezen wegens het niet tijdig kenbaar maken van de aanspraak aan alle erfgenamen.