De rechtbank Limburg behandelde op 21 maart 2019 het verzoek van de dochter van een vermiste persoon om het rechtsvermoeden van overlijden vast te stellen. De vermiste was sinds bijna zeven jaar verdwenen en werd niet opgeroepen ter zitting, ondanks publicaties in landelijke media.
De rechtbank stelde vast dat meer dan vijf jaren waren verstreken sinds de laatste waarneming van de vermiste en dat niemand van zijn in leven zijn had doen blijken. Op grond hiervan werd het rechtsvermoeden van overlijden aangenomen, met als vermoedelijke overlijdensdatum de dag volgend op de laatste tijding van leven, te weten 30 maart 2012.
De kosten van de procedure mochten ten laste van het vermogen van de vermiste worden gebracht. Na in kracht van gewijsde gaan van de beschikking, zal de griffier een afschrift sturen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand voor het opmaken van een akte van inschrijving.
Tegen deze beschikking staat hoger beroep open via het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, uitsluitend door tussenkomst van een advocaat, binnen drie maanden na uitspraak of betekening.