Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
[eiser sub 3],
1.De procedure
- de dagvaarding van 28 februari 2019, met producties 1 tot en met 6,
- de akte van [gedaagde] met productie 1 tot en met 17, ontvangen op 12 maart 2019,
- de akte van [gedaagde] met productie 18, ontvangen op 13 maart 2019,
- de brief van [eisers] c.s. van 13 maart 2019 met producties 7 tot en met 9,
- de brief van [eisers] c.s. van 14 maart 2019, met productie 10,
- de mondelinge behandeling van 14 maart 2019 met de pleitnotities van [eisers] c.s. en de pleitaantekeningen van [gedaagde] .
Tijl Uilenspiegel B.V. inhoudende de overdracht van activa en passiva per 1 april 2010 van de horecaonderneming [handelsnaam 1] / [handelsnaam 2] . De onderneming wordt geëxploiteerd vanuit een van Heineken Nederland B.V. gehuurd pand gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] .
31 maart 2010 die door Tijl Uilenspiegel B.V. (schuldeiser), [gedaagde] (kredietnemer) en de ABN AMRO bank (i.e. New HBU II N.V.) is getekend.
3.Het geschil
4.De beoordeling
De indiening van stukken voorafgaand aan de zitting
€ 11.000,00 leverancierskrediet, en voorts dat voor het faillissement van [gedaagde] wordt gevreesd. [eisers] c.s. zouden dan met de vordering uit geldlening slechts een concurrente vordering hebben. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrees voor ontruiming of een faillissement voordat een vonnis in een bodemprocedure is gewezen, niet toereikend is onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt is.