Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding van 28 maart 2019 met tien producties
- de voorwaardelijke eis in reconventie
- de producties 11 en 12 van [eiser in conventie, verweerder in voorwaardelijke reconventie]
- de producties 1 t/m 25 van [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie]
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] .
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
in conventie
een bedrag van € 400,00 per maand vanaf 1 augustus 2015 totdat het gebruik van het pand door [eiser in conventie, verweerder in voorwaardelijke reconventie] eindigt en zolang het pand voor 1/3 aan [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] in mede-eigendom toebehoort, vermeerderd met de wettelijke rente over het in de periode van 1 augustus 2015 tot 18 november 2015 ter zake openstaande bedrag vanaf 18 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, alsook vermeerderd met de wettelijke rente over de ná 18 november 2015 opgekomen termijnen telkens vanaf de eerste van de maand volgend op de maand waarover de gebruiksvergoeding is verschuldigd,
een bedrag van € 1.750,00 ter zake door [eiser in conventie, verweerder in voorwaardelijke reconventie] overgenomen betalende cliënten, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.
816,00