ECLI:NL:RBLIM:2019:3708

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 maart 2019
Publicatiedatum
19 april 2019
Zaaknummer
C/03/247787 / FA RK 18-1009
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 198 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vernietiging erkenning wegens weigering DNA-onderzoek moeder

De rechtbank Limburg behandelde een verzoek van een man tot vernietiging van de erkenning van een minderjarig kind. De rechtbank had DNA-onderzoek gelast om de biologische vader te bepalen, maar de moeder weigerde hieraan mee te werken. De man werkte wel mee aan het DNA-onderzoek.

De rechtbank stelde vast dat op grond van artikel 198 lid 3 Rv Pro de rechter uit het niet meewerken aan een deskundigenonderzoek een gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. De vraag was of uit de weigering van de moeder kon worden geconcludeerd dat de man niet de biologische vader is en het verzoek tot vernietiging van de erkenning moest worden toegewezen.

De rechtbank vond dat het belang van het kind zwaarwegend is en dat onvoldoende was komen vast te staan dat de man niet de biologische vader is. Daarom was terughoudendheid geboden. De bijzondere curator stelde voor dat de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek doet naar mogelijkheden om alsnog DNA-materiaal van het kind te verkrijgen en naar het belang van het kind bij een eventuele kinderbeschermingsmaatregel.

De rechtbank besloot het verzoek tot vernietiging aan te houden voor vier maanden en gelastte de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek en advies uit te brengen over de mogelijkheden om de moeder te overtuigen mee te werken, het belang van een kinderbeschermingsmaatregel bij blijvende weigering, en het belang van toewijzing van het verzoek bij niet-uitvoering van het DNA-onderzoek. Tevens werd gevraagd de kostenopgave van het DNA-onderzoek te overleggen.

Uitkomst: Beslissing op verzoek tot vernietiging erkenning wordt aangehouden in afwachting van raadsonderzoek en advies.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 12 maart 2019
Zaaknummer: C/03/247787 / FA RK 18-1009
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:
[verzoeker],
verzoeker, verder te noemen: de man,
wonend op een geheim adres binnen het arrondissement van de rechtbank Limburg,
advocaat mr. R.H.L. van de Laar, kantoorhoudend te Kerkrade.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[belanghebbende],
verder te noemen: de moeder,
wonend te Kerkrade,
advocaat mr. J.E.A. Hendrix, kantoorhoudend te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,
en
de minderjarige
[minderjarige],geboren op [2010] te [geboorteplaats],
verder te noemen: [minderjarige],
in rechte vertegenwoordigd door mr. J.G.M. Daemen,
advocaat, kantoorhoudend te Brunssum,
in zijn hoedanigheid van bijzondere curator voor [minderjarige],
verder te noemen: de bijzondere curator.
Gezien de stukken, waaronder de door deze rechtbank tussen partijen gegeven en op
19 september 2018 uitgesproken beschikking.

1.Het verdere verloop van de procedure

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de brieven van Verilabs, ingekomen bij de griffie op 7 december 2018 en
2 januari 2019;
  • het bericht van de moeder, ingekomen bij de griffie op 10 januari 2019;
  • het bericht van de man, ingekomen bij de griffie op 16 januari 2019;
  • de brief van de bijzondere curator van 1 februari 2019, ingekomen bij de griffie op
4 februari 2019;
  • het bericht van de man, ingekomen bij de griffie op 12 februari 2019;
  • het bericht van de moeder, ingekomen bij de griffie op 13 februari 2019;
  • het bericht van de man, ingekomen bij de griffie op 19 februari 2019.

2.De verdere beoordeling

Uit de ingediende stukken is gebleken dat de man inmiddels heeft meegewerkt aan het door de rechtbank gelaste DNA-onderzoek, maar dat de moeder hieraan niet heeft meegewerkt. In haar voormeld schrijven van 10 januari 2019 verwijst de moeder naar haar reeds ter zitting gedane mededeling dat zij geen medewerking zal verlenen aan een DNA-onderzoek.
Op grond van artikel 198 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechter, indien een partij niet voldoet aan de verplichting om mee te werken aan een deskundigenonderzoek, daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
De vraag waarvoor de rechtbank zich ziet gesteld is of uit het niet meewerken van de moeder aan het DNA-onderzoek de conclusie dient te worden getrokken dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] is en dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning daarom dient te worden toegewezen.
Toewijzing van het verzoek zal ertoe leiden dat aan [minderjarige] zijn juridisch vader wordt ontnomen. De rechtbank overweegt dat [minderjarige] een zwaarwegend belang erbij heeft om te weten wie zijn biologische vader is. Niet is komen vast te staan dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] is. Terughoudendheid in de beoordeling met betrekking tot het verzoek tot vernietiging van de erkenning acht de rechtbank daarom op zijn plaats.
De bijzondere curator acht het in het belang van [minderjarige] dat middels een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, locatie Maastricht (verder te noemen: de raad) meer zicht komt op de mogelijkheden om alsnog DNA-materiaal van [minderjarige] te verkrijgen. Zowel de man als de moeder hebben om hen moverende redenen aangegeven niet achter een onderzoek door de raad te staan.
De rechtbank acht zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd een weloverwogen beslissing te nemen op het verzoek van de man. Daarom zal de rechtbank aan de raad vragen onderzoek te doen en advies uit te brengen. Dit onderzoek zal allereerst gericht moeten zijn op de vraag of de raad mogelijkheden ziet om de moeder ervan te overtuigen dat meewerken aan een DNA-onderzoek in het belang van [minderjarige] is. Als de moeder blijft weigeren en daardoor voor [minderjarige] twijfel blijft bestaan over de vraag of de man zijn biologische vader is, acht de raad dan een kinderbeschermingsmaatregel van belang voor [minderjarige]? Vervolgens, indien door de weigering van de moeder geen uitvoering kan worden gegeven aan het door de rechtbank gelaste deskundigenonderzoek, legt de rechtbank de vraag voor of de raad het in het belang van [minderjarige] acht dat het verzoek tot vernietiging van de erkenning wordt toegewezen.
De beslissing op het verzoek tot vernietiging van de erkenning zal in afwachting van het raadsonderzoek worden aangehouden, pro forma voor de duur van vier maanden.
De rechtbank zal aan de bij beschikking van 19 september 2018 benoemde deskundige vragen opgave van de tot nog toe gemaakte kosten te doen. Daarna zullen partijen en de bijzondere curator in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de vraag voor wiens rekening deze kosten dienen te komen. Voorts zal aan de deskundige worden gevraagd het DNA-materiaal van de man voorlopig te bewaren in afwachting van het eventuele nog aan te leveren DNA-materiaal van [minderjarige].

3. De beslissing

De rechtbank:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, onderzoek te doen en advies uit te brengen over de volgende vragen:
  • ziet de raad mogelijkheden om de moeder ervan te overtuigen dat meewerken aan een DNA-onderzoek in het belang van [minderjarige] is?
  • als de moeder blijft weigeren mee te werken aan een DNA-onderzoek, acht de raad dan een kinderbeschermingsmaatregel van belang voor [minderjarige] ?
  • indien door de weigering van de moeder geen uitvoering kan worden gegeven aan het door de rechtbank gelaste deskundigenonderzoek, acht de raad het dan in het belang van [minderjarige] dat het verzoek tot vernietiging van de erkenning wordt toegewezen?
houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van het rapport en advies van de raad, pro forma voor de duur van vier maanden.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Verhey als griffier op
12 maart 2019.