Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
feit 2:ongeveer 140 gram amfetamine aanwezig heeft gehad;
feit 3: een mobiele telefoon heeft gestolen van [slachtoffer 3] .
3.De voorvragen
De rechtbank overweegt daarover het volgende.
nemo debet bis vexariis gehandeld, wat daar verder van zij. De verdachte is voor een tweede keer aangehouden en in verzekering gesteld omdat er nieuw bewijs was. Daaraan doet niet af dat de verdediging die verklaring, die dat bewijs vormde, als onbetrouwbaar beoordeelt; kennelijk zag de officier van justitie dat anders en de rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat de officier van justitie daardoor de grenzen van diens bevoegdheid te buiten is gegaan.
4.De beoordeling van het bewijs
De eerste twee jongens die binnenkwamen, [mededader 2] en de persoon in het monnikenpak, waarschijnlijk [mededader 1] , zijn meteen op mij in gaan slaan. Zij sloegen mij met hun vuisten, voornamelijk op mijn gezicht. Ik ben in elk geval ook minstens 1 keer met een voorwerp geslagen door [mededader 2] . Zij waren me in elkaar aan het slaan. Terwijl [mededader 2] en “de monnik” mij aan het mishandelen waren, stond [mededader 3] met een vuurwapen op mij gericht, ik denk 1,5 à 2 meter van mij af. Het vuurwapen kan ik omschrijven als een zwart pistool, lijkend op het gasalarmpistool dat ik wel eens bij [bijnaam mededader 1] thuis heb gezien. Dit was een Walther Pl7, die hij aan veel mensen die daar thuis kwamen liet zien. Ik heb gezien en gehoord dat [mededader 3] het pistool zeker 2 of 3 keer heeft doorgeladen. De vierde persoon was de kamers aan het doorzoeken. Toen [mededader 2] en “de monnik” klaar waren met slaan, ik denk na 2 tot 3 minuten, zijn ze ook de kamers overhoop gaan halen. [mededader 3] is tot het einde met het vuurwapen op mij gericht blijven staan. Hij heeft aan het einde ook wel een beetje gezocht, maar hij is niet uit de woonkamer weg geweest en bleef mij in de gaten houden. Achteraf heb ik gezien dat zij in alle kamers zijn geweest, behalve in een zijkamer. Het viel mij op dat deze kamer, waar niets van waarde ligt, is overgeslagen. Mijn vermoeden dat [bijnaam mededader 1] erbij was is hierdoor ook versterkt, want hij is iemand die vaak bij [slachtoffer 2] komt, zodat hij kan weten dat er in die kamer niets te halen is.
Toen ze klaar waren met het doorzoeken van het huis kwam de persoon in het monnikenpak, naar mij later bleek [mededader 1] , naar de vierde persoon toe. Ik zat toen op de grond tegen het zitgedeelte van de bank aan en de vierde persoon stond naast mij. Ik zag toen dat [mededader 1] zijn capuchon van het monnikenpak afzette – ik herkende hem toen als [mededader 1] – en iets tegen de vierde persoon zei. [mededader 2] , [mededader 1] en de vierde persoon zijn naar buiten gegaan. Ik was toen nog alleen met [mededader 3] in de woonkamer. Toen ik nog met [mededader 3] alleen in de kamer stond kwam [mededader 2] nog terug. Hij zei tegen [mededader 3] ‘we moeten echt gaan nou”. Vervolgens zijn zij weggegaan.
vierpersonen het feit hebben gepleegd. Uit die verklaring van aangever [slachtoffer 1] blijkt niet dat [mededader 5] als dader bij dit feit betrokken was. De rechtbank overweegt dat zij genoemde door [mededader 5] afgelegde verklaring geloofwaardig vindt.
- verdovende middelen, inhoud 79,56 gram bruto, SIN nummer AACB2522NL.
- verdovende middelen, inhoud 7,04 gram bruto, SIN nummer AACB2502NL,
- verdovende middelen, inhoud 9,96 gram bruto, SIN nummer AADQ9988NL,
- verdovende middelen, inhoud 26,47 gram, SIN nummer AACB2523NL.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De straf en/of de maatregel
- bij vonnis van 1 augustus 2012, dus ongeveer 1,5 jaar voorafgaand aan het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen, en
- bij vonnis van 8 februari 2013, dus ongeveer een jaar voorafgaand aan het onder 2 bewezenverklaard feit, ter zake van het bij artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet strafbaar gesteld feit. Verdachte was dus een gewaarschuwd man wat betreft de onderhavige feiten.
Met het opleggen van deze gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt tevens de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
8.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
9.Het beslag
10.De wettelijke voorschriften
11.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ten aanzien van feit 1 af;
- veroordeelt deze benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;