Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procesgang
2.Het standpunt van de verzoekster
3.Het standpunt van de officier van justitie
4.De beoordeling
.
Rechtbank Limburg
De verzoekster is sinds 2009 verdachte in een omvangrijke strafzaak over witwassen en andere feiten. Na een bezwaar tegen dagvaarding dat in 2012 ongegrond werd verklaard, is zij sindsdien niet meer opgeroepen voor haar strafzaak. De officier van justitie stelt de zaak in september 2019 te willen voortzetten, maar zonder de verzoekster daarvan op de hoogte te stellen.
De rechtbank oordeelt dat de vertraging in de strafzaak niet aan de verzoekster te wijten is en dat het openbaar ministerie na de uitspraak van het gerechtshof in 2012 de zaak had kunnen voortzetten, maar dit niet heeft gedaan. De verzoekster is hierdoor bijna tien jaar in onzekerheid gehouden.
Gelet op artikel 36 Sv Pro en het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn, acht de rechtbank de vertraging onredelijk en verklaart zij de strafzaak tegen de verzoekster geëindigd. Dit voorkomt verdere onredelijke vertraging en onzekerheid voor de verzoekster.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de strafzaak tegen de verzoekster geëindigd wegens onredelijke vertraging door het openbaar ministerie.