Op 22 november 2017 werd in een loods te Velden een in werking zijnde inrichting voor de productie van BMK en amfetamine aangetroffen. De politie hield twee personen op heterdaad aan, en zes personen werden vervolgd, waaronder de verdachte. De officier van justitie baseerde zich vooral op de verklaring van een medeverdachte die de verdachte een bemiddelende rol toedichtte bij het tot stand brengen van samenwerking tussen betrokkenen.
De verdediging voerde aan dat de betrokkenheid van de verdachte uitsluitend op de verklaring van deze medeverdachte berustte, zonder aanvullend bewijs, en betwistte het opzet en de nauwe samenwerking. De rechtbank stelde vast dat hoewel de medeverdachte de verdachte noemde, de verklaringen inconsistent en tegenstrijdig waren en geen objectief bewijs werd gevonden ter ondersteuning van de rol van de verdachte.
De rechtbank oordeelde dat zelfs als bewezen zou worden dat de verdachte betrokken was bij het in contact brengen van medeverdachten, niet kon worden vastgesteld dat hij wist dat het ging om de productie van amfetamine. Daarom was er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om de tenlasteleggingen te bewijzen en sprak de rechtbank de verdachte vrij van beide feiten.