De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2015. De minderjarige verbleef sinds februari 2018 bij het netwerkpleeggezin van de familie pleegouders. De GI verzocht verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar en de uithuisplaatsing voor zes maanden. De moeder betwistte de verzoeken en stelde dat de GI niet-ontvankelijk was vanwege te late indiening en dat de GI onzorgvuldig handelde door de minderjarige zonder toestemming van de rechter uit het pleeggezin te halen.
De kinderrechter oordeelde dat de verzoeken weliswaar laat waren ingediend, maar dat de GI ontvankelijk moest worden verklaard vanwege het belang van de minderjarige. De wijziging en vermeerdering van het verzoek werden echter buiten beschouwing gelaten vanwege schending van het verdedigingsbelang van de moeder en pleegouders. De ondertoezichtstelling werd verlengd omdat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd door de problematiek van de ouders en de slechte verstandhouding tussen hen. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd omdat het perspectief van de minderjarige nog niet duidelijk is en het onderzoek naar plaatsing bij de vader zich in de afrondende fase bevindt.
De kinderrechter achtte het verzoek van de moeder om de plaatsing bij het oorspronkelijke netwerkpleeggezin te herstellen toewijsbaar, omdat de GI onvoldoende had onderbouwd waarom dit niet mogelijk was en de GI zonder toestemming van de rechter de minderjarige had verplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing werd daarom beperkt tot plaatsing bij het netwerkpleeggezin. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de mogelijkheid tot hoger beroep werd gegeven.