De rechtbank Limburg behandelde een verzoek van de rechthebbende tot opheffing van de onderbewindstelling of tot ontslag van de huidige bewindvoerder. De onderbewindstelling was ingesteld wegens verkwisting en problematische schulden sinds december 2016. De rechthebbende klaagde over slechte bereikbaarheid en onvoldoende communicatie van de bewindvoerder, alsmede het niet nakomen van afspraken en toename van schulden.
De bewindvoerder voerde aan dat er wel degelijk een vaste dossierbehandelaar is, dat contactfrequentie hoog is en dat de schuldenlast en beslag op het inkomen voortduren. Sparen is niet mogelijk en het bewind is noodzakelijk om verdere schulden te voorkomen. De kantonrechter oordeelde dat de klachten onvoldoende waren onderbouwd en dat de noodzaak van het bewind nog steeds bestaat.
Daarom wees de rechtbank zowel het verzoek tot opheffing van het bewind als het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder af. De rechthebbende moet accepteren dat het bewind is ingesteld om hem te beschermen tegen verdere schulden, ook als dat betekent dat beslissingen worden genomen waar hij het niet mee eens is.