Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juli 2019 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
Procesverloop
goothoogtevan de nieuw te bouwen loods voor zover die uitgaat boven de 4,50 meter, zijnde 1,25 meter. De nokhoogte van de te bouwen loods is rechtstreeks toegestaan. De ruimtelijke en andere gevolgen van de keuze om op deze locatie bebouwing tot een hoogte van 10 meter en een goothoogte van 4,50 meter toe te staan, zijn reeds eerder door de raad afgewogen in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan, terwijl de raad, zoals onder 7 is overwogen, een goothoogte van 6,50 in een geval als het voorliggende in beginsel ook planologisch aanvaardbaar heeft geacht. Dat het bouwvlak kan worden dichtgebouwd, is daarom een gevolg van het feit dat het bestemmingsplan ter plaatse bebouwing toestaat. Het ontstaan van een dichtgebouwde wand van opslagloodsen richting het buitengebied houdt dus verband met de reeds toegestane bouwhoogte, omdat dit een rechtstreeks gevolg is van het bestemmingsplan. Door de aangevraagde hogere goothoogte zou de wand bij de onderhavige loods wel hoger worden dan de naastliggende bebouwing, maar de totale hoogte van het gebouw niet. Dit zou alleen voor een kleiner gedeelte dan bij de naastgelegen gebouwen bestaan uit dakopbouw. Dit heeft wel tot gevolg dat de opbouw van de loods voor een groter gedeelte dan de naastgelegen gebouwen uit ‘steen’ bestaat.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,- (wegens kosten van rechtsbijstand).
.