De rechtbank Limburg behandelde op 4 juli 2019 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige dochter in de periode van 2007 tot 2015. De officier van justitie vorderde bewezenverklaring van twee feiten, ondersteund door verklaringen van het slachtoffer en derden.
De verdediging voerde aan dat de verklaring van het slachtoffer onbetrouwbaar was en dat er onvoldoende steunbewijs aanwezig was. Ook stelde zij dat sommige handelingen buiten de tenlastegelegde periode vielen. De rechtbank oordeelde dat de enkele verklaring van het slachtoffer onvoldoende was en dat de verklaringen van derden slechts herhalingen van het slachtoffer waren, waardoor deze niet als steunbewijs konden dienen.
Verder constateerde de rechtbank dat het opsporingsonderzoek beperkt en ontoereikend was, ondanks de ernst van de beschuldigingen en de eerdere veroordelingen van verdachte voor zedendelicten. Bij gebrek aan wettig bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van beide feiten.
De benadeelde partij had een schadevergoeding van €21.838,32 gevorderd, maar vanwege de vrijspraak werd zij niet-ontvankelijk verklaard in deze vordering. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij tevens in de kosten, die nihil werden begroot.