Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding met twee producties;
- de conclusie van antwoord;
- het proces-verbaal van comparitie van 2 juli 2019.
Rechtbank Limburg
Partijen zijn in 2002 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en in 2014 gescheiden met opdracht tot verdeling van hun huwelijksgemeenschap. De vrouw vordert dat de man meewerkt aan verkoop en verdeling van de woning en hypotheek, vergoeding voor inboedel en benoeming van een deskundige.
De man stelt dat partijen een overeenkomst van 26 oktober 2018 hebben gesloten waarin de verdeling is geregeld en betwist dat er nog gemeenschappelijke inboedel aanwezig is. De vrouw erkent de overeenkomst, maar verklaart deze te ontbinden wegens niet-nakoming.
De rechtbank stelt vast dat de woning en hypotheek op basis van de overeenkomst moeten worden verdeeld, tenzij de man niet slaagt in nakoming. Voor de inboedel wordt de man toegelaten tot tegenbewijs dat deze op 1 december 2014 aanwezig was en dat de vrouw deze later heeft meegenomen. Ook mag de man bewijzen dat contanten aanwezig waren in de woning toen hij vertrok.
De rechtbank bepaalt dat getuigenverhoor kan plaatsvinden en stelt een rolzitting in voor bewijslevering. Verdere beslissingen worden aangehouden totdat bewijs is geleverd.
Uitkomst: De rechtbank houdt verdere beslissing aan en laat bewijsopdrachten toe over inboedel en contanten.