Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[gedaagde sub 1] ,
1.De procedure
- de dagvaarding
- de door [gedaagde sub 1] en de B.V. ingezonden producties
- de mondelinge behandeling op 12 augustus 2019 waarbij namens [gedaagde sub 1] en de B.V. een pleitnota is overgelegd.
2.De feiten
- [gedaagde sub 1] betaalt met ingang van 1 juli 2018 € 5.333,08 per maand huur, vermeerderd met € 2.983,13, per maand ter aflossing van de huurachterstand;
- de aflossing van de geldlening wordt opgeschort tot 1 januari 2019;
- per 1 januari 2019 betaalt [gedaagde sub 1] een verhoogd aflossingsbedrag van € 1.296,30 per maand terzake van de geldlening.
- hem tijdens de totstandkoming van de huurovereenkomst was toegezegd dat alle bedrijfsruimtes aan het [adres] verhuurd waren;
- er geen andere bedrijfsruimtes zijn verhuurd waardoor er geen loop is van winkelend publiek en de omzet achterblijft;
- de huurprijs alsmede de maandelijkse aflossingsverplichtingen voor [gedaagde sub 1] te hoog zijn;
- hij een bespreking met Jongen wenst.
3.Het geschil
4.De beoordeling
- dagvaarding € 83,52
- griffierecht € 972,00
- salaris gemachtigde
5.De beslissing
- € 120,00 aan salaris gemachtigde,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van die betekening,