Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van verdachte
6.De straf en/of de maatregel
first offenders. Volgens deze oriëntatiepunten kan in gevallen waarin zeer onoplettend gedrag bewezen is verklaard aansluiting worden gezocht bij de categorieën ‘ernstige schuld’ en ‘zeer hoge mate van schuld’. Bij de categorie ‘zeer hoge mate van schuld’ kan gedacht worden aan gevallen die meer neigen naar of grenzen aan roekeloosheid (te denken valt aan wegpiraterij en wegraces). Hiervan is in deze zaak geen sprake. De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat er sprake is van ‘ernstige schuld’ aan de zijde van verdachte. Volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS is het vertrekpunt bij het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij sprake is van ernstige schuld aan de zijde van verdachte (die geen alcohol had genuttigd) en de dood van het slachtoffer, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaar.
7.De wettelijke voorschriften
8.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:
motorrijtuigen van achteren is genaderd en daarbij niet althans niet voldoende heeft gelet op de weg voor hem en/of op mogelijke weggebruikers op die weg voor hem en/of (daarbij) de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en/of niet
voldoende heeft verminderd en/of niet behoorlijk is uitgeweken om een aanrijding of botsing met voornoemde voor hem rijdende dan wel stilstaande motorrijtuigen te voorkomen, althans niet in staat is geweest om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd
veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
( art 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 )