ECLI:NL:RBLIM:2019:8871
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H. Klifman
- A.P.A. Bisscheroux
- C.C.W.M. Aretz
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor voorhanden hebben versnijdingsmiddelen in opslagbox
De rechtbank Limburg behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het voorhanden hebben van mengsels van coffeïne, paracetamol en fenacetine in een opslagbox te Maastricht, bestemd voor het versnijden van heroïne en cocaïne.
De officier van justitie stelde dat verdachte en een medeverdachte deze stoffen hadden voorhanden gehad, onderbouwd met camerabeelden, DNA-sporen op een handschoen en computergegevens van de opslagbox. De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was en dat verdachte slechts shisha tabak moest ophalen.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de stoffen op 19 juli 2016 in de opslagbox waren aangetroffen, niet kon worden vastgesteld wanneer deze waren geplaatst en dat verdachte niet bewezen kon worden dat hij wist van de aanwezigheid of beschikkingsmacht had over de stoffen. De camerabeelden toonden meerdere personen met toegangscodes, en er was geen bewijs dat verdachte de dozen met stoffen binnenbracht. De DNA-sporen op de handschoen waren onvoldoende bewijs en er waren geen versnijdingsmiddelen op de handschoen aangetroffen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van kennis en beschikkingsmacht over de versnijdingsmiddelen.