ECLI:NL:RBLIM:2019:8873
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H. Klifman
- A.P.A. Bisscheroux
- C.C.W.M. Aretz
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs bezit versnijdingsmiddelen voor drugs
De rechtbank Limburg behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het bezit van mengsels van coffeïne, paracetamol en fenacetine, stoffen die gebruikt kunnen worden voor het versnijden van heroïne en cocaïne. Deze stoffen werden op 19 juli 2016 aangetroffen in een opslagbox te Maastricht, gehuurd door de broer van verdachte. Camerabeelden toonden verdachte en medeverdachte in de opslagbox, maar ook andere personen.
De officier van justitie stelde dat verdachte wist of moest vermoeden dat de stoffen in de opslagbox lagen en dat hij daar beschikkingsmacht over had. De verdediging betoogde dat niet bewezen kon worden dat verdachte de stoffen voorhanden had en wees op het ontbreken van bewijs over de daadwerkelijke plaatsing van de stoffen en het gebruik van de toegangscode door meerdere personen.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de stoffen in de opslagbox aanwezig waren, niet kon worden vastgesteld wanneer deze waren geplaatst en dat meerdere personen toegang hadden tot de opslagbox. Er was onvoldoende bewijs dat verdachte bewust was van de aanwezigheid van de stoffen en dat hij de beschikkingsmacht had. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij wist van en beschikkingsmacht had over de versnijdingsmiddelen.