Uitspraak
RECHTbANK Limburg
1.Onderzoek van de zaak
2.De vordering van de officier van justitie
3.Preliminair verweer
zo spoedig mogelijkdoch uiterlijk twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig dient te worden gemaakt.
Rechtbank Limburg
In deze strafzaak heeft het Openbaar Ministerie op 16 december 2019 een ontnemingsvordering ingediend tegen betrokkene, die in 2017 was veroordeeld tot een gevangenisstraf. De verdediging voerde aan dat de vordering niet tijdig was ingediend, aangezien het financieel onderzoek al in juni 2012 was afgesloten en het rapport sindsdien niet was opgevolgd. Dit tijdsverloop van ruim zeven jaar zou de verdediging en rechtbank belemmeren in het waarderen van de vordering en de waarheidsvinding onmogelijk maken.
Het Openbaar Ministerie erkende de lange termijn, maar stelde dat dit het gevolg was van overvolle bureaus en personeelswisselingen, zonder opzet. Ook verwees het naar jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat een overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid leidt. De rechtbank oordeelde echter dat de vordering weliswaar binnen twee jaar na het vonnis was ingediend, maar niet 'zo spoedig mogelijk' zoals vereist in artikel 511b Sv. Hierdoor voldoet de vordering niet aan de wettelijke vereisten.
De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering. De overige argumenten van de verdediging werden niet inhoudelijk behandeld. De rechtbank wees op de politieke bezuinigingen die de justitiële keten treffen, maar stelde dat dit risico niet ten laste van betrokkene mag komen, maar voor rekening van de staat blijft.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens niet tijdige indiening.