De rechtbank Limburg heeft op 9 maart 2020 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte die ervan werd verdacht medeplegen van valsheid in een notariële leveringsakte. Het ging om het valselijk laten opnemen van een lagere koopprijs dan de werkelijke prijs van een pand in Heerlen.
Uit het bewijs, waaronder verklaringen van verdachte, getuigen en de makelaar, bleek dat de werkelijke koopprijs hoger was dan vermeld in de akte, waarbij een deel van de koopprijs contant en buiten de akte om werd betaald. Verdachte bevestigde dat zij wist van de onjuiste opname in de akte en dat het initiatief hiervoor van de koper uitging.
De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte samen met een ander valselijk een lagere koopprijs in de leveringsakte had laten opnemen met het oogmerk deze als waar te laten gebruiken. Er werden geen feiten gevonden die strafuitsluitingsgronden boden.
Hoewel de rechtbank verdachte strafbaar achtte, werd geen straf opgelegd vanwege de zeer forse overschrijding van de redelijke termijn van bijna tien jaar tussen de eerste daad van vervolging en het vonnis, de geringe rol van verdachte en haar persoonlijke omstandigheden. De rechtbank legde daarom een strafvrije verklaring op krachtens artikel 9a Sr.