Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2020 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats], eiseres
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
Rechtbank Limburg
Eiseres, werkzaam als kassamedewerkster, meldde zich op 8 augustus 2016 ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Verweerder wees deze aanvraag per besluit van 12 juli 2018 af, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd geacht te zijn. Eiseres maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank Limburg.
De rechtbank onderzocht het dossier, waarbij verzekeringsarts SMZ [L.] op 30 mei 2018 een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opstelde met beperkingen passend bij de klachten van eiseres. Bij bezwaar en beroep stelde verzekeringsarts J. Bruintjes de FML op 19 maart 2019 licht bij, maar handhaafde het oordeel dat geen sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat de medische situatie op de datum in geding, 6 augustus 2018, leidde tot een minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
Eiseres voerde aan dat zij meer beperkingen had dan vastgesteld en verwees naar een brief van haar longspecialist, maar de rechtbank vond dat deze situatie pas na de datum in geding was ontstaan en niet relevant was voor de beoordeling. Ook het eerdere oordeel bij de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling, waarbij geen benutbare mogelijkheden werden vastgesteld, was niet bindend voor de WIA-beoordeling op de latere datum.
De rechtbank concludeerde dat de functies die verweerder had geduid passend waren en dat de berekening van het verlies aan verdienvermogen correct was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van een WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.