Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Het verloop van de procedure
2.Het beklag
3.Het standpunt van het Openbaar Ministerie
4.De beoordeling
5.De beslissing
ongegrond.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde op 24 maart 2020 het beklag van de klaagster tegen het klassieke en conservatoire beslag op een woning. De klaagster voerde aan dat er geen gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestond en dat een verbeurdverklaring of geldboete hoogst onwaarschijnlijk was, waardoor het beslag opgeheven zou moeten worden.
Het Openbaar Ministerie stelde zich op het standpunt dat het strafvorderlijk belang het voortduren van het beslag rechtvaardigt. De rechtbank oordeelde dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de klaagster als katvanger fungeerde bij de aankoop van het registergoed, onder meer op basis van verklaringen van een makelaar en andere dossierstukken.
De rechtbank concludeerde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter het registergoed zal verbeurdverklaren en dat er een redelijk vermoeden van schuld aan witwassen bestaat. Ook het conservatoire beslag blijft gehandhaafd omdat een geldboete van de vijfde categorie op overtreding van artikel 420bis Sr staat en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat deze zal worden opgelegd.
Daarom werd het beklag tegen het klassieke en conservatoire beslag ongegrond verklaard. Tegen deze beschikking staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen 14 dagen na betekening.
Uitkomst: Het beklag tegen het klassieke en conservatoire beslag wordt ongegrond verklaard vanwege het strafvorderlijk belang en het redelijk vermoeden van witwassen.