Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
3.De verzoeken
4.De beoordeling
‘er in [d]e toekomst naar alle waarschijnlijkheid sprake is van een regresvordering’, terwijl het maar zeer de vraag is of die aanname correct is, maar de twee schuldeisers zijn professionele partijen van wie verwacht mag worden dat zij met de aanvaarding van het voorstel rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat er geen regresvordering ontstaat. Derhalve moet er van worden uitgegaan dat de twee schuldeisers willens en wetens akkoord zijn gegaan met een aanbod waarin objectief gezien (juridische) haken en ogen zitten. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank, bij nader inzien, daarin geen aanleiding het verzoek tot het opleggen van een gedwongen schuldregeling af te wijzen.