ECLI:NL:RBLIM:2020:4182
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens gebrek aan bewijs betrokkenheid bij illegale hennepteelt
De rechtbank Limburg behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van betrokkenheid bij de verkoop en het voorhanden hebben van stoffen en voorwerpen bestemd voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Verdachte werkte sinds 2015 voor 32 uur per week bij het bedrijf dat zich schuldig maakte aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.
De officier van justitie stelde dat verdachte medepleger was vanwege zijn arbeidsduur en kennis van de illegale activiteiten van het bedrijf. De verdediging voerde aan dat het dossier geen bewijs bevatte van betrokkenheid van verdachte bij voorbereidingshandelingen en dat hij handelde volgens instructies zonder grote hoeveelheden hennepzaden te verkopen.
De rechtbank constateerde dat het dossier geen concrete informatie bevatte over het handelen van verdachte en dat verklaringen van de raadsman niet als bewijs konden dienen. Ondanks de aanwezigheid van grote hoeveelheden goederen bestemd voor hennepteelt bij het bedrijf, was niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hiervan op de hoogte was of daaraan heeft deelgenomen.
De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van het ten laste gelegde. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 11 juni 2020 in Maastricht.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij illegale hennepteelt.