Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- het tussenvonnis van 13 mei 2020
- de akte van [gedaagde] .
2.De verdere beoordeling
- dagvaarding € 83,52
- griffierecht 486,00
- salaris gemachtigde
Rechtbank Limburg
De vennootschap onder firma [handelsnaam 1] h.o.d.n. [handelsnaam 2] vorderde schadevergoeding van [gedaagde] op grond van contractuele rente zoals bepaald in haar algemene voorwaarden. De kantonrechter had eerder geoordeeld dat deze contractuele schadevergoeding een onredelijk bezwarend beding vormt, waardoor de basis voor deze schadevergoeding ontbreekt.
Na een tussenvonnis van 13 mei 2020 wijzigde eiseres haar eis en vorderde zij alleen nog wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro. Deze eiswijziging werd echter afgewezen omdat toepassing hiervan zou betekenen dat eiseres haar algemene voorwaarden niet hoeft aan te passen, wat uit het oogpunt van consumentenbescherming onacceptabel is. Dit oordeel is in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 augustus 2018 (ECLI:EU:C:2018:643).
Daarnaast werden de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen, aangezien gedaagde zich hierover had uitgelaten en de kantonrechter dit reeds had overwogen. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van €3.675,36 aan eiseres en tot vergoeding van de proceskosten van €989,52. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €3.675,36 en proceskosten, terwijl de vordering tot wettelijke schadevergoeding wordt afgewezen.