ECLI:NL:RBLIM:2020:5394

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 juli 2020
Publicatiedatum
23 juli 2020
Zaaknummer
7793368 CV EXPL 19-3779
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Sijmonsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onredelijk bezwarend beding in algemene voorwaarden leidt tot afwijzing schadevergoeding

De vennootschap onder firma [handelsnaam 1] h.o.d.n. [handelsnaam 2] vorderde schadevergoeding van [gedaagde] op grond van contractuele rente zoals bepaald in haar algemene voorwaarden. De kantonrechter had eerder geoordeeld dat deze contractuele schadevergoeding een onredelijk bezwarend beding vormt, waardoor de basis voor deze schadevergoeding ontbreekt.

Na een tussenvonnis van 13 mei 2020 wijzigde eiseres haar eis en vorderde zij alleen nog wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro. Deze eiswijziging werd echter afgewezen omdat toepassing hiervan zou betekenen dat eiseres haar algemene voorwaarden niet hoeft aan te passen, wat uit het oogpunt van consumentenbescherming onacceptabel is. Dit oordeel is in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 augustus 2018 (ECLI:EU:C:2018:643).

Daarnaast werden de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen, aangezien gedaagde zich hierover had uitgelaten en de kantonrechter dit reeds had overwogen. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van €3.675,36 aan eiseres en tot vergoeding van de proceskosten van €989,52. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €3.675,36 en proceskosten, terwijl de vordering tot wettelijke schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 7793368 CV EXPL 19-3779
Vonnis van de kantonrechter van 22 juli 2020
in de zaak van:
de vennootschap onder firma
[handelsnaam 1] h.o.d.n. [handelsnaam 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde mr. R.J.V.M. Batta,
tegen:
[gedaagde] ,
wonend [adres] ,
[woonplaats] , [gemeente] ,
gedaagde,
gemachtigde mr. J.P.H.J. Hermans.
Partijen zullen hierna [handelsnaam 2] en [gedaagde] worden genoemd. De kantonrechter die de vorige vonnissen in dit geschil heeft gewezen, is langdurig afwezig, zodat dit vonnis door een andere kantonrechter wordt gewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 13 mei 2020
  • de akte van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 18 maart 2020 geoordeeld dat de hoofdvordering van [handelsnaam 2] moet worden toegewezen. [handelsnaam 2] heeft naar aanleiding van het tussenvonnis van 13 mei 2020 haar eis verminderd. Zij vordert niet meer de contractuele rente, maar enkel de wettelijke rente. Die zal worden afgewezen. [handelsnaam 2] heeft in haar algemene voorwaarden bepaald wat de schadevergoeding is. Die contractueel bepaalde schadevergoeding is door de kantonrechter in een eerder vonnis als onredelijk bezwarend geoordeeld. Daarmee bestaat geen basis meer voor de schadevergoeding. Het nu, na tussenvonnis waarin is geoordeeld dat de contractuele bepaling onredelijk bezwarend is, toepassen van de wettelijke schadevergoedingsregels zou met zich brengen dat [handelsnaam 2] haar algemene voorwaarden niet hoeft aan te passen. Indien de tegenpartij (of kantonrechter) niet struikelt over de onredelijk bezwarende schadevergoedingsbepaling, zal de te hoge schadevergoeding worden toegewezen/betaald. Indien wel iemand over die bepaling struikelt, zou dit niet erg zijn voor [handelsnaam 2] gelet op het vangnet van de wettelijke schadevergoeding van art. 6:119 BW Pro. Dit is een uit het oogpunt van consumentenbescherming niet acceptabele gang van zaken. De bij gewijzigde eis gevorderde schadevergoeding wordt dan ook afgewezen (vergelijk HvJ EU 7 augustus 2018, ECLI:EU:C:2018:643). Wat de buitengerechtelijke incassokosten betreft heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 13 mei 2020 [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om zich daarover uit te laten. [gedaagde] heeft zich ter zake bij akte gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. Gelet hierop en op het in het tussenvonnis van 13 mei 2020 in r.o. 2.3 t/m 2.6 overwogene liggen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten eveneens voor toewijzing gereed.
2.2.
[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [handelsnaam 2] worden begroot op:
  • dagvaarding € 83,52
  • griffierecht 486,00
  • salaris gemachtigde
totaal € 989,52.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [handelsnaam 2] te betalen een bedrag van € 3.675,36,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [handelsnaam 2] gevallen en tot op heden begroot op € 989,52,
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2020.
type: YT