Qredits verstrekte aan [gedaagde sub 1], handelend onder een handelsnaam, een geldlening van €30.000 met een terugbetalingstermijn van vijf jaar in maandelijkse termijnen. De lening was bestemd voor zakelijke doeleinden. Bij dagvaarding eiste Qredits een bedrag van €34.230,09, bestaande uit hoofdsom, rente, buitengerechtelijke kosten en btw. Qredits matigde haar vordering tot €25.000 met rente vanaf 20 april 2020.
[gedaagde sub 1] erkende niet in staat te zijn de lening ineens terug te betalen, maar toonde bereidheid tot overleg. De rechtbank oordeelde dat Qredits gerechtigd was het openstaande bedrag ineens op te eisen vanwege niet-nakoming van de maandelijkse betalingen, maar dat de vordering jegens [gedaagde sub 2] niet toewijsbaar was omdat deze niet partij was bij de leningsovereenkomst en geen grondslag voor aansprakelijkheid was gesteld.
De rechtbank veroordeelde [gedaagde sub 1] tot betaling van €25.000 plus rente en proceskosten, wees de vordering tegen [gedaagde sub 2] af en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.