Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte heeft zich als coffeeshophouder schuldig gemaakt aan het in de onmiddellijke nabijheid van die coffeeshop aanwezig hebben van een zeer grote hoeveelheid al dan niet bewerkte hennep en hasjiesj ten behoeve van die coffeeshop. Conform het geldende en bij verdachte bekende gedoogbeleid mag een coffeeshop een voorraad van 500 gram hebben. Verdachte heeft deze hoeveelheid meer dan 110 maal overschreden, er is immers ruim 39 kilo softdrugs en ruim 19 kilo verwerkte softdrugs met shag aangetroffen.
Het Nederlandse drugsbeleid richt zich op het tegengaan en reduceren van drugsgebruik, zeker voor zover leidend tot gezondheids- en sociale schade, en op het voorkomen en verminderen van de maatschappelijke schade die aan het gebruik van, de productie van en de handel in drugs is verbonden. Uitgangspunt van het beleid is het onderscheid dat in de Opiumwet is gemaakt tussen verdovende middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid (harddrugs) en andere middelen (softdrugs). De wetgever heeft dat onderscheid gemaakt met het oog op de gebruiksrisico’s van de onderscheiden drugs en om een duidelijke scheiding tussen de markten aan te brengen. Daartoe worden voor cannabis, dat tot de lijst-II middelen behoort, speciale verkooppunten in de vorm van coffeeshops gedoogd, vooral ter voorkoming dat de cannabisgebruiker in aanraking komt met drugs.
Het gedoogbeleid voor coffeeshops is gebaseerd op het uitgangspunt dat sprake is van kleinschalige verkoop aan gebruikers; onderdeel daarvan is de voorwaarde dat de aanwezige handelsvoorraad softdrugs in de coffeeshop niet groter is dan 500 gram. De verkoop in coffeeshops wordt gereguleerd door een systeem van vergunningen. Bij de coffeeshop van verdachte was geen sprake van kleinschalige verkoop, hetgeen onder meer blijkt uit de namens verdachte overgelegde jaarcijfers en de in de omliggende panden van verdachte aangetroffen grote hoeveelheden hennep en hasjiesj waarvan de verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat dit de handelsvoorraad voor ongeveer drie tot vijf weken zou betreffen. Uit de jaarcijfers, de aangetroffen voorraden en de uitlatingen van verdachte ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat de verdachte reeds langere tijd de gedoogde grens van 500 gram ruimschoots overschrijdt.
Door een dergelijke grote handelsvoorraad aanwezig te hebben frustreert verdachte feitelijk het gedoogbeleid en heeft hij voorts het vertrouwen beschaamd dat aan hem door het verlenen van de vergunning was gegeven. Dat het zogenaamde achterdeurbeleid voor een exploitant van een coffeeshop bepaalde toeleveringsproblemen kan opleveren, doet aan het voorgaande niet af. Dat is immers een gegeven waarop een coffeeshophouder – overeenkomstig genoemd uitgangspunt bij het gedoogbeleid – zijn bedrijfsvoering dient af te stemmen. Verdachte heeft er bewust voor gekozen om naast de voorraad van 500 gram in zijn coffeeshop, in de omliggende panden waarvan hij eigenaar is, een fors grotere voorraad aan te houden dan is toegestaan. Door de gedoogvoorwaarden te overtreden heeft de verdachte het vertrouwen in het Nederlandse gedoogbeleid ernstige schade toegebracht. Hij heeft zich uitsluitend laten leiden door bedrijfseconomische beweegredenen en eigen financieel gewin en deze ondergeschikt gemaakt aan de volksgezondheid. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
Blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 september 2020 betreffen de eerdere veroordelingen van verdachte voor Opiumwetdelicten oudere feiten (van 2012 en eerder). De rechtbank zal bij het bepalen van de straf echter rekening houden met deze veroordelingen in die zin dat verdachte een gewaarschuwd man was die wist waar hij mee bezig was.
Bij het bepalen van de straf ten aanzien van de feiten heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Deze oriëntatiepunten gaan uit van een gevangenisstraf van 12 maanden voor het aanwezig hebben van een hoeveelheid softdrugs tussen de 25.000 en 250.000 gram. De rechtbank stelt vast dat de aangetroffen hoeveelheid van ruim 39 kilo softdrugs en ruim 19 kilo verwerkte softdrugs met shag binnen deze marge valt. De rechtbank merkt daarbij op dat deze hoeveelheid betrekkelijk dicht tegen de ondergrens van deze marge aan ligt en dat bij de voorafgaande categorie (10.000 tot 25.000 gram) het uitgangspunt een gevangenisstraf van zes maanden is.
Gelet op de zeer forse overschrijding van de gedoogde handelsvoorraad en het gegeven dat de rechtbank door de uitlatingen van verdachte ter zitting niet de indruk heeft gekregen dat verdachte het laakbare van zijn handelen inziet, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de strafmodaliteit van de oriëntatiepunten. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is dan ook aan de orde.
Omdat ter terechtzitting duidelijk is geworden dat verdachte zich in de toekomst weer wil toeleggen op het exploiteren van een coffeeshop of soortgelijke bezigheden, ziet de rechtbank aanleiding een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Alles afwegend zal de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf van negen maanden opleggen, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.