ECLI:NL:RBLIM:2020:8143

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 oktober 2020
Publicatiedatum
22 oktober 2020
Zaaknummer
8602210 \ CV EXPL 20-2879
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en matiging incassokosten in huurvordering

In deze zaak vordert eisende partij betaling van huurachterstand en incassokosten van gedaagde partij. De procedure startte met een dagvaarding en een verzoek om uitstel door gedaagde. Na verkregen uitstel heeft gedaagde niet meer gereageerd.

De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, omdat het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De aanmaning van eisende partij vermeldde een lager bedrag aan incassokosten dan waarop recht bestaat volgens het Besluit. Ondanks deze afwijking is gedaagde niet in haar belangen geschaad, zodat de incassokosten worden gematigd tot het in de aanmaning genoemde bedrag van € 113,44 inclusief btw.

De overige vorderingen van eisende partij worden als niet weersproken toegewezen, met inachtneming van een redelijke ontruimingstermijn van twee weken. Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand van € 1.942,87 plus wettelijke rente vanaf 18 juni 2020. Tevens is gedaagde gehouden tot betaling van de huurprijs van € 625,00 per maand vanaf 1 juli 2020 tot ontruiming, met rente bij gebreke van tijdige betaling.

De kosten van de procedure worden aan gedaagde opgelegd, begroot op € 521,09. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, gedaagde veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand met gematigde incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 8602210 \ CV EXPL 20-2879
Vonnis van de kantonrechter van 21 oktober 2020
in de zaak van:
[eisende partij],
wonende [woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde E.A.P. van Lith,
tegen:
[gedaagde partij],
wonende [adres] ,
[woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
procederende in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het verzoek om uitstel van gedaagde partij.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Gedaagde partij heeft, na verkregen uitstel niet meer geantwoord.
2.2.
Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.
De door eisende partij verzonden aanmaning voldoet niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW Pro gestelde eisen, nu daarin een lager bedrag is genoemd dan het bedrag waarop het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten in dit geval recht geeft. Door deze afwijking is de gedaagde partij echter niet in haar belangen geschaad. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden daarom slechts toegewezen tot het in de aanmaning genoemde bedrag ad € 113,44 inclusief btw.
2.3.
De overige vordering van eisende partij staat als niet weersproken tussen partijen vast en behoort als onvoldoende betwist te worden toegewezen met dien verstande dat er een redelijke ontruimingstermijn van twee weken gehanteerd zal moeten worden.
2.4.
Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
  • dagvaarding € 105,09
  • griffierecht € 236,00
  • salaris gemachtigde €
totaal € 521,09

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
ontbindt de bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde, staande en gelegen te [plaats] aan [adres] ,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij, om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gehuurde met personen en zaken te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eisende partij te stellen,
3.3.
veroordeelt gedaagde partij voorts om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de somma van € 1.942,87, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.875,00 vanaf 18 juni 2020 tot de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een vergoeding gelijk aan de huurprijs van € 625,00 voor elke ingegane maand met ingang van 1 juli 2020 tot en met de maand waarin gedaagde partij het gehuurde heeft ontruimd, deze vergoeding bij gebreke van betaling voor de eerste van de maand waarop het betrekking heeft telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die eerste dag van de maand tot de dag van volledige betaling,
3.5.
veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 521,09,
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.