ECLI:NL:RBLIM:2020:8226

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 oktober 2020
Publicatiedatum
26 oktober 2020
Zaaknummer
8590639 CV EXPL 20-2840
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot terugbetaling van de koopprijs van een kachel en schadevergoeding na brand door ondeugdelijke installatie

In deze zaak vorderen eisers, [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2], de terugbetaling van de koopprijs van een pelletkachel en schadevergoeding van gedaagden, waaronder de vennootschap onder firma [gedaagde partij sub 1]. De eisers hebben in april 2017 een pelletkachel gekocht, die op 4 oktober 2017 is geplaatst. Na meerdere incidenten, waaronder een schoorsteenbrand op 12 maart 2020, hebben eisers de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Ze hebben een rapport van een deskundige overgelegd, waarin gebreken aan de installatie en de rookgasafvoer zijn vastgesteld. Gedaagden hebben verweer gevoerd, maar hebben geen tegenrapport overgelegd. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de kachel niet voldeed aan de conformiteitsvereisten en dat de installatie ondeugdelijk was. De vordering tot terugbetaling van de koopprijs van € 5.489,50 en schadevergoeding voor herstelkosten is toegewezen. Daarnaast zijn gedaagden veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitgesproken op 21 oktober 2020.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 8590639 CV EXPL 20-2840
Vonnis van de kantonrechter van 21 oktober 2020
in de zaak van:

1.[eisende partij sub 1] ,

2. [eisende partij sub 2],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde: F.H.M. Belt,
tegen:

1.de vennootschap onder firma [gedaagde partij sub 1] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
vertegenwoordigd door haar vennoten,
2. [gedaagde partij sub 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon,

3. [gedaagde partij sub 3] ,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
Partijen zullen hierna [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] en [gedaagde partij sub 1] (waarmee ook beide vennoten worden bedoeld) worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 11 juni 2020 met zes producties;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • een akte vermeerdering van eis met producties 7 tot en met 9;
  • het proces-verbaal van de zitting van 22 september 2020, waar aan de zijde van [gedaagde partij sub 1] niemand is verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben in april 2017 bij [gedaagde partij sub 1] een pelletkachel gekocht van het merk Edel Kamin. Op 4 oktober 2017 is deze kachel door [gedaagde partij sub 1] geplaatst. [gedaagde partij sub 1] heeft op 4 oktober 2017 € 5.489,50 in rekening gebracht voor de kachel en de plaatsing daarvan.
2.2.
Op 26 februari 2018 heeft de kachelpijp spontaan vlam gevat. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben [gedaagde partij sub 1] aangeschreven, waarop [gedaagde partij sub 1] reparatiewerkzaamheden heeft verricht.
2.3.
Op 12 maart 2020 vond een schoorsteenbrand plaats in de woning van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] . Op 7 mei 2020 heeft [naam] van het bedrijf [naam bedrijf] een inspectie uitgevoerd in de woning en een rapport uitgebracht.
2.4.
[eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben na de brand en na het uitbrengen van het rapport door [naam] telefonisch contact opgenomen met [gedaagde partij sub 1] . [gedaagde partij sub 1] heeft telefonisch aangegeven de klacht bij de fabrikant kenbaar te hebben gemaakt, maar nog niets van de fabrikant te hebben vernomen.
2.5.
Bij brief van 11 mei 2020 heeft de gemachtigde van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] het rapport van [naam bedrijf] aan [gedaagde partij sub 1] toegezonden en, kort gezegd, de overeenkomst op grond van artikel 7:21 lid 1 sub a BW ontbonden en de koopsom van
€ 5.489,50 teruggevorderd.
2.6.
Bij e-mail van 14 mei 2020 heeft G&N assurantiën namens [gedaagde partij sub 1] gereageerd met de mededeling dat een deskundige van de fabrikant een inspectie zou uitvoeren. Hierop is op 14 mei 2020 gereageerd door de gemachtigde van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] met de mededeling dat uiterlijk de week daarop de inspectie moest hebben plaatsgevonden met een voorstel van [gedaagde partij sub 1] om het geschil op te lossen, bij gebreke waarvan tot dagvaarding zou worden overgegaan. Verder hebben [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] in deze e-mail medegedeeld dat de kosten voor het in oude toestand brengen van de woning zijn berekend op € 6.836,34 inclusief BTW. Een op 3 juni 2020 geplande inspectie werd geannuleerd en verplaatst naar eind juni 2020. G&N heeft vervolgens nog bij e-mail van 27 mei 2020 gereageerd en gesteld dat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] geen gebruik wilden maken van het aanbod om een medewerker van de fabrikant een onderzoek te laten doen, waardoor [gedaagde partij sub 1] geen passend voorstel kan doen om het geschil op te lossen.
2.7.
Op 11 juni 2020 hebben [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] de dagvaarding doen uitbrengen.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] vorderen gedaagden hoofdelijk bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van:
- € 12.658,59, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding (11 juni 2020) tot de dag van volledige betaling;
- de proceskosten, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde en de kosten van de dagvaarding.
3.2.
[gedaagde partij sub 1] heeft schriftelijk verweer gevoerd.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt vast dat de hoofdsom van € 12.658,59 als volgt kan worden gespecificeerd:
€ 5.489,50 de koopprijs van de kachel, materiaalkosten en de plaatsingskosten
€ 6.836,34 de kosten voor het in de oude toestand brengen van de woning
€ 332,75 de kosten het rapport en de inspectie door [naam bedrijf]
4.2.
[eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de kachel niet de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn. De kachel voldoet dan ook niet aan het conformiteitsvereiste (artikel 7:17 BW).
Verder hebben [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] aan hun vordering ten grondslag gelegd dat ook de installatie van de kachel ondeugdelijk is uitgevoerd (artikel 7:18 BW).
4.3.
De kantonrechter stelt vast dat [naam bedrijf] in zijn rapport drie gebreken benoemt:
1.
De RookGasAfvoerVoorziening (RGAV) is in 2017 niet overeenkomstig de vereisten in het Bouwbesluit gebouwd. [naam bedrijf] heeft vastgesteld dat de uitmonding van de RGAV te kort is en/of deze had dichter bij de nok van het dak geplaatst moeten worden. Door de huidige plaatsing van de uitmonding van de RGAV ontstaat er sneller vervuiling in het rookafvoerkanaal. Dit kan door slechte trek als gevolg van deze wijze van bouwen hebben meegewerkt aan de oorzaak van de schoorsteenbrand.
2.
Verder is de RGAV niet volgens de instructies van de fabrikant geplaatst, aldus [naam bedrijf] .
De RGAV dient te zijn voorzien van een omkokering van brandvast materiaal. Het deel op de zolder is niet voorzien van een dergelijke omkokering. Ook voeren brandbare delen van de zolderconstructie te dicht langs het kanaal. Op de eerste verdieping is de omkokering te dicht op het kanaal geplaatst. De doorvoeringopening van het kanaal in een onbrandbare vloer is verder niet tenminste 20 mm.
3.
Het vermogen van de pelletkachel is te hoog in verhouding tot de inhoud van de woning, waardoor bijna altijd op laag vermogen gestookt dient te worden. Dit is volgens [naam bedrijf] nooit raadzaam.
4.4.
Concluderend heeft [naam bedrijf] gerapporteerd dat de brand door een vervuild kanaal is ontstaan. De oorzaak van de brand kan volgens [naam bedrijf] niet voor 100% bij een foute installatie worden gelegd noch voor 100% bij achterstallig onderhoud.
4.5.
[gedaagde partij sub 1] heeft aangevoerd dat het rapport van [naam bedrijf] niet objectief is opgesteld, omdat het afkomstig is van een concurrent. Naar het oordeel van de kantonrechter maakt het enkele gegeven dat [naam bedrijf] een concurrerend bedrijf is niet dat het rapport van [naam bedrijf] niet onafhankelijk tot stand is gekomen. [naam bedrijf] heeft immers zijn bevindingen gemotiveerd. Bovendien heeft [naam bedrijf] de conclusie getrokken dat de oorzaak van de brand niet volledig te wijten is aan een verkeerde installatie. [naam bedrijf] kan niet vaststellen of de oorzaak van de brand bij [gedaagde partij sub 1] dient te worden gelegd, omdat er duizend situaties in de praktijk zijn die op gelijke wijze worden uitgevoerd waarbij er geen brand ontstaat en zowel de pellets die gestookt worden en het regelmatige onderhoud van belang zijn. Deze conclusie van [naam bedrijf] duidt er naar het oordeel van de kantonrechter op dat [naam bedrijf] zich voldoende onafhankelijk heeft opgesteld. De bevindingen van [naam bedrijf] kunnen daarom niet ter zijde geschoven worden bij de beoordeling van de vordering.
4.6.
Voor zover [gedaagde partij sub 1] heeft willen betogen dat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] [gedaagde partij sub 1] onvoldoende de gelegenheid hebben geboden een tegenonderzoek te laten plaatsvinden, volgt de kantonrechter hen hierin niet. Uit de door [gedaagde partij sub 1] overgelegde e-mail van [naam sales agent] , Sales agent Netherland van de fabrikant, van 28 mei 2020 volgt dat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] , na een aanvankelijk weigering, wel de gelegenheid hebben geboden voor een inspectie. Hoewel uit deze e-mail voortvloeit dat deze inspectie niet terstond kon plaatvinden, heeft [gedaagde partij sub 1] tot tien dagen voor de zitting de gelegenheid gehad om een tegenrapportage in te dienen. Dit heeft [gedaagde partij sub 1] niet gedaan en dit dient voor haar rekening te komen.
4.7.
Verder stelt de kantonrechter vast dat [gedaagde partij sub 1] niet heeft weersproken dat de onder 4.3 genoemde fouten zijn gemaakt bij de installatie. Ook heeft [gedaagde partij sub 1] niet weersproken dat de geleverde kachel een te hoog vermogen had gelet op de grootte van de ruimte. [gedaagde partij sub 1] heeft enkel gesteld dat [vennoten] een identieke kachel heeft die zonder problemen continu op laag vermogen draait. Deze verder niet onderbouwde stelling kan niet afdoen aan de conclusie van [naam bedrijf] dat de kachel een te hoog vermogen heeft gelet op de ruimte en er fouten zijn gemaakt in de installatie van de RGAV.
4.8.
Resumerend is het rapport van [naam bedrijf] het enige deskundigenrapport dat in het geding is gebracht en [gedaagde partij sub 1] heeft, ondanks dat zij de gelegenheid daartoe had, geen tegenrapport overgelegd en het rapport van [naam bedrijf] onvoldoende weersproken. De kantonrechter heeft geen reden om te twijfelen aan de objectiviteit van het onderzoek van [naam bedrijf] .
4.9.
[gedaagde partij sub 1] heeft aangevoerd dat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] niet hebben aangetoond dat zij de kachel en RGAV goed hebben onderhouden. Ter zitting hebben [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] naar voren gebracht dat de schoorsteen in november 2019 was geveegd. [gedaagde partij sub 1] heeft gesteld dat zij de kachel één week voor de brand nog heeft gereinigd, maar dat het onderhoud/de reiniging van de RGAV is voorbehouden aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] . De enkele stelling dat de RGAV mogelijk niet goed zou zijn onderhouden maakt niet dat de kantonrechter de afweging in het voordeel van [gedaagde partij sub 1] moeten laten uitvallen. Dit omdat [gedaagde partij sub 1] de vordering op cruciale aspecten, zoals hiervoor is overwogen, niet dan wel onvoldoende onderbouwd heeft weersproken. Dit maakt verder dat de kachel niet voldeed aan het hetgeen [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] daarvan mochten verwachten en dat de installatie ondeugdelijk was. Daarmee is een ontbinding gerechtvaardigd (artikel 7:22 lid 1 onder a BW). De bevoegdheid tot ontbinding ontstaat pas wanneer herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd kunnen worden, dan wel de verkoper tekort is geschoten in een verplichting als bedoeld in artikel 21 lid 3, waaronder herstel van de afgeleverde zaak. In maart 2018 heeft [gedaagde partij sub 1] reparatiewerkzaamheden uitgevoerd aan de kachel. De kantonrechter stelt vast dat de in het rapport van [naam bedrijf] genoemde gebreken van de RGAV toen niet zijn onderkend en hersteld. Aan [gedaagde partij sub 1] is de gelegenheid geboden tot een inspectie, doch daarvan is geen gebruik gemaakt. [gedaagde partij sub 1] heeft geen aanbod gedaan tot herstel. Daarmee is [gedaagde partij sub 1] te kort geschoten in de hiervoor bedoelde verplichting.
4.10.
Ontbinding van de overeenkomst leidt tot ongedaanmakingsverplichtingen. Dit betekent dat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] de kachel dienen terug te geven en [gedaagde partij sub 1] gehouden is tot terugbetaling van de koopsom. Uit het voorgaande vloeit voort dat de vordering tot terugbetaling van € 5.489,50 zal worden toegewezen.
4.11.
De vordering tot vergoeding van de kosten tot herstel van de woning in de oude toestand zal eveneens worden toegewezen (artikel 6:277 lid 1 BW). Bovendien heeft [gedaagde partij sub 1] deze vordering ook niet weersproken. Ook de vordering tot vergoeding van de kosten voor het opstellen van het deskundigenrapport van € 332,75 zal worden toegewezen, als zijnde niet weersproken.
4.12.
[gedaagde partij sub 1] zal verder worden veroordeeld tot betaling van de gevorderde wettelijke rente over € 12.325,84 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling.
4.13.
[gedaagde partij sub 1] zal worden veroordeeld in de proceskosten van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] . De kantonrechter begroot het salaris gemachtigde op € 720,- (één punt voor de dagvaarding en één punt voor de zitting, € 360,- per punt). Het totale bedrag aan proceskosten zal worden begroot op:
Kosten exploot € 114,87
Griffierecht € 236,-
Salaris gemachtigde
€ 720,-
Totaal € 1.070,87

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vennootschap onder firma [gedaagde partij sub 1] , [gedaagde partij sub 2] en [gedaagde partij sub 3] hoofdelijk € 12.658,59 te betalen aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] , te vermeerderen met de wettelijke rente over
€ 12.325,84 met ingang van 11 juni 2020 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt de vennootschap onder firma [gedaagde partij sub 1] , [gedaagde partij sub 2] en [gedaagde partij sub 3] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, tot de datum van dit vonnis begroot op € 1.070,87;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en is in het openbaar uitgesproken.
BM