Eiser vordert vaststelling van het bestaan van een arbeidsovereenkomst en betaling van achterstallig loon en vakantiebijslag. Hij stelt sinds 1 februari 2016 in dienst te zijn bij gedaagde met een schriftelijke arbeidsovereenkomst en een bruto maandsalaris van €1.496,34. Gedaagde betwist het bestaan van een arbeidsovereenkomst en stelt dat sprake is van een samenwerkingsovereenkomst waarbij eiser als ondernemer onder de handelsnaam werkte.
De rechtbank overweegt dat hoewel er een schriftelijke arbeidsovereenkomst en loonspecificaties zijn, dit slechts een bewijsvermoeden oplevert dat door tegenbewijs kan worden weerlegd. Gedaagde voert meerdere omstandigheden aan die het bestaan van een arbeidsovereenkomst ontkennen, zoals het ontbreken van een gezagsverhouding, het gebruik van bankpassen en creditcards door eiser, en het presenteren van eiser als ondernemer. Dit tegenbewijs weerlegt het vermoeden.
Eiser dient daarom zijn stellingen te bewijzen, maar komt daartoe niet toe omdat hij geen concreet en specifiek bewijsaanbod heeft gedaan. Het algemene bewijsaanbod wordt als onvoldoende beoordeeld. Hierdoor worden de vorderingen afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.