ECLI:NL:RBLIM:2020:8343
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Oud recht en ouderlijke boedelverdeling in erfrechtelijke procedure
In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Limburg op 16 oktober 2020, betreft het een verzoekschrift ingediend door verzoeker, in zijn hoedanigheid van erfgenaam van de erflater. De procedure is gestart op 23 september 2020 door tussenkomst van de gemachtigde mr. M.M.J. Janssen. De erflater is op [overlijdensdatum] overleden en heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Verzoeker en zijn zus hebben op 10 juni 2020 de nalatenschap van de erflater zuiver aanvaard. Echter, er is onduidelijkheid ontstaan over de keuze van een derde zus, [zus 2], die tot op heden geen keuze heeft gemaakt met betrekking tot de nalatenschap. Verzoeker vraagt de kantonrechter om [zus 2] een termijn te stellen om haar keuze kenbaar te maken, zodat de notaris een verklaring van erfrecht kan opmaken en de nalatenschap kan worden afgewikkeld.
De kantonrechter overweegt dat de erflater bij uiterste wilsbeschikking heeft bepaald dat de verdeling van zijn nalatenschap op grond van de oude regeling van de ouderlijke boedelverdeling dient te geschieden. Deze regeling heeft, ondanks de invoering van het nieuwe erfrecht op 1 januari 2003, haar geldigheid behouden. De kantonrechter oordeelt dat de regels van het nieuwe erfrecht van toepassing zijn op de opengevallen nalatenschap, maar dat de oude ouderlijke boedelverdeling blijft gelden. De kantonrechter wijst het verzoek van verzoeker toe en stelt [zus 2] een termijn van een maand om haar keuze omtrent de aanvaarding of verwerping van de nalatenschap kenbaar te maken. Tevens worden de proceskosten ten laste van de nalatenschap gebracht.
De beslissing van de kantonrechter is dat [zus 2] binnen een maand na betekening van de beschikking aan verzoeker moet aangeven of zij de nalatenschap zuiver of beneficiair aanvaardt, of deze verwerpt. De proceskosten worden ten laste van de nalatenschap gebracht.