ECLI:NL:RBLIM:2020:8344

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 oktober 2020
Publicatiedatum
28 oktober 2020
Zaaknummer
8544424 \ CV EXPL 20-2413
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 236 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot afgifte ontbrekende goederen na kracht van gewijsde

De man en vrouw zijn ex-echtgenoten met een geschil over de verdeling en afgifte van ontbrekende goederen, waaronder Albelli fotoalbums. Eerder heeft de rechtbank Limburg bij beschikking van 8 november 2018 de echtscheiding uitgesproken en de ontbrekende goederen aan de man toegedeeld zonder verrekening. De vrouw betwistte dat zij deze goederen heeft meegenomen. In hoger beroep heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch geoordeeld dat de man onvoldoende bewijs heeft geleverd dat de goederen zich bij de vrouw bevinden, waardoor zijn vordering niet werd toegewezen.

In de onderhavige procedure vordert de man opnieuw afgifte van de ontbrekende goederen en diverse vergoedingen. De vrouw beroept zich op het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraken, zoals neergelegd in artikel 236 Rv Pro, waardoor dezelfde rechtsbetrekking tussen dezelfde partijen niet opnieuw kan worden beoordeeld.

De kantonrechter bevestigt dat de eerdere uitspraken kracht van gewijsde hebben en bindende kracht hebben in deze procedure. Het beroep van de man op nieuw bewijsmateriaal doet hieraan niet af. Daarom wordt de vordering van de man afgewezen en wordt hij veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot afgifte van de ontbrekende goederen wordt afgewezen wegens gezag van gewijsde.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 8544424 \ CV EXPL 20-2413
Vonnis van de kantonrechter van 28 oktober 2020
in de zaak van:
[eiser],
wonend [adres 1] ,
[woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde Vaessen Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen:
[gedaagde],
wonend [adres 2] ,
[woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
procederende in persoon.
Eisende partij wordt hierna aangeduid als de man en gedaagde partij als de vrouw.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de conclusie van antwoord
  • de conclusie van repliek
  • de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn ex-echtgenoten en zij hebben een geschil over (onder meer) de verdeling en afgifte van fotoboeken.
2.2.
Bij beschikking d.d. 8 november 2018 van deze rechtbank, locatie Maastricht, is de echtscheiding uitgesproken. De rechtbank heeft in deze uitspraak over de toedeling van de albums het volgende overwogen:
“Partijen zijn het erover eens dat dat de inboedel op deze lijst van “ontbrekende boedel” van de man ook tot de te verdelen inboedel behoort. De rechtbank bepaalt dat deze “ontbrekende inboedel” aan de man kan worden toebedeeld zonder dat de waarde ervan hoeft te worden verrekend met de vrouw. Over dat laatste aspect heeft de vrouw namelijk geen standpunt ingenomen en evenmin heeft zij die ontbrekende inboedel op haar eigen lijst vermeld: kennelijk zijn deze goederen voor de vrouw niet van zodanige waarde dat deze met de man moet worden verrekend. Een en ander geldt daarmee ook voor de foto albums met foto’s van de kinderen die de man kennelijk van jaar tot jaar heeft gemaakt.
De man stelt dat die foto albums nog onder de vrouw moeten zijn waartegenover de vrouw heeft aangegeven dat die albums in de woning zijn achtergelaten toen zij de woning heeft verlaten. Nu partijen op voorhand hebben afgezien van bewijslevering kan niet van de juistheid van de stelling van de man dat die albums onder de vrouw moeten zijn, worden uitgegaan. Dat leidt ertoe dat de vrouw niet tot afgifte van de albums kan worden veroordeeld, evenmin versterkt met een dwangsom of dat een vervangende schadevergoeding aan de orde kan komen (daargelaten dat dat laatste onderdeel van het verzoek van de man in strijd met een goede procesorde na de zitting eerst is ingediend.”.
2.3.
De man is van voornoemde uitspraak in hoger beroep gekomen. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn beschikking van 19 december 2019 in rov 4.21 het volgende overwogen:
De rechtbank heeft vastgesteld dat de man een lijst met ontbrekende inboedel heeft overgelegd, die hij niet in de woning heeft aangetroffen toen hij daarin terugkwam. De vrouw heeft betwist dat zij die inboedelgoederen heeft meegenomen. De rechtbank heeft die goederen aan de man toegedeeld zonder verrekening. De man stelt in hoger beroep dat de vrouw of haar familie die goederen onder zich heeft en hij vraagt daarom te bepalen dat die goederen vermeld op de lijst van ontbrekende goederen, met uitzondering van de aan hem toe te delen fotoalbums, aan de vrouw worden toegedeeld met uitzondering van de waarde, zijnde € 2.442,50. ; subsidiair, voor zover de vrouw de fotoalbums niet meer heeft, dient zij de man € 250,00 per album te vergoeden.
In rov 4.23 overweegt het hof het volgende:
“De man heeft gesteld dat de betreffende goederen bij de vrouw zijn. Gelet op de betwisting daarvan door de vrouw had het op de weg van de man gelegen bewijs van zijn stellingen aan te dragen dan wel aan te bieden. Nu dat niet is gebeurd, kan het Hof niet vaststellen dat de betreffende goederen zich bij de vrouw bevinden, zodat het verzoek van man om de goederen aan de vrouw toe delen niet zal worden toegewezen.”

3.Het geschil

3.1.
De man vordert - samengevat - veroordeling van vrouw tot het verlenen van medewerking aan de afgifte van de “ontbrekende goederen” met daaronder tevens begrepen de Albelli fotoalbums, compleet en in ongeschonden staat, en met veroordeling van vrouw tot afgifte van alle aan hem toebedeelde zaken die nu nog ontbreken, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag.
De man vordert verder veroordeling van vrouw tot betaling van:
  • € 450,00 aan advocaatkosten
  • € 452,00 aan misgelopen aanwezigheidsbonus;
  • € 112,50 aan vergoeding van werkuren;
  • € 18.806,10 (of € 1.253,74 per album) voor zover de ontbrekende goederen beschadigd, niet compleet en/of in slechte staat zijn;
  • de proceskosten.
3.2.
De vrouw voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt het volgende voorop. Het geschil dat ter beoordeling aan de kantonrechter is voorgelegd, gaat over de afgifte van de goederen op de lijst “ontbrekende goederen”, waaronder maar niet uitsluitend de Albelli fotoalbums. Al hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht over de taxatiewaarde van de woning en de betaling van de alimentatie wordt – voor zover niet relevant voor de beoordeling van de vorderingen zoals die zijn ingediend – buiten beschouwing gelaten en hierover wordt in dit vonnis geen uitspraak gedaan.
4.2.
De vrouw voert allereerst tegen de vordering aan dat er door de rechtbank en ook in hoger beroep al uitspraak is gedaan over de Albelli fotoalbums. De kantonrechter begrijpt het verweer van vrouw aldus dat zij een beroep doet op het gezag van gewijsde zoals geregeld in artikel 236 Rv Pro. Dit artikel bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. De ratio van dit artikel is dat het ongewenst is dat een geschilpunt waarover al beslist is opnieuw ter discussie wordt gesteld. Dit geldt ook als er nieuw bewijsmateriaal wordt bijgebracht of de grondslag nader wordt onderbouwd met nieuwe feiten.
4.3.
De man vordert in deze procedure afgifte van de “ontbrekende goederen”. Hierover is reeds in eerste instantie door de rechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, beslist en ook in hoger beroep door het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch. Deze uitspraken hebben inmiddels kracht van gewijsde, hetgeen wil zeggen dat hiertegen geen rechtsmiddel is aangewend en dat dit ook niet meer mogelijk is. Deze uitspraken hebben daarom nu in deze procedure bindende kracht.
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat het in deze procedure om dezelfde rechtsbetrekking tussen dezelfde partijen gaat als in de twee vorige procedures. Het gaat namelijk om de verdeling van de boedel. De toetsing daarvan heeft al plaatsgevonden door de rechtbank van de locatie Maastricht, terwijl het gerechtshof nogmaals in hoger beroep een oordeel heeft geveld. Dit houdt in dat de toetsing inmiddels kracht en gezag van gewijsde heeft en dat hierover niet nog een keer kan en mag worden beslist. Het feit dat de man stelt over nieuw bewijsmateriaal te beschikken, doet hieraan niet af.
4.5.
Kort en goed komt het er dus op neer dat de vordering van de man afstuit op het bepaalde in artikel 236 Rv Pro. De overige aangevoerde verweren behoeven daarom geen verdere bespreking.
4.6.
De man wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van vrouw worden begroot op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt de man in de proceskosten aan de zijde van de vrouw gevallen en tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.P. Brouns en in het openbaar uitgesproken.
type: PLG
coll: